ECLI:NL:PHR:2012:BW9975

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01478
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 25 Wegenverkeerswet (oud)
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt ontslag van rechtsvervolging wegens onjuiste toetsing afwezigheid van alle schuld bij verkeersongeval

Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam ontslagen van alle rechtsvervolging wegens overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994, nadat hij met zijn auto een boom had geraakt waarbij een inzittende letsel opliep. Het hof stelde vast dat verdachte een verkeersfout had gemaakt door met zijn rechtervoorband de stoeprand te raken, maar kon niet vaststellen of verdachte het ongeval had kunnen vermijden. Daarom nam het hof afwezigheid van alle schuld aan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad oordeelde dat bij een beroep op een strafuitsluitingsgrond zoals afwezigheid van alle schuld de rechter de feitelijke grondslag daarvan voldoende aannemelijk moet achten en dat de last niet uitsluitend bij verdachte mag liggen. Het hof had deze toets niet correct toegepast.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof onterecht had geoordeeld dat verdachte geen verwijt kon worden gemaakt, terwijl het hof niet had kunnen vaststellen of verdachte het ongeval had kunnen vermijden. Hierdoor had het hof een onjuiste maatstaf gehanteerd voor afwezigheid van alle schuld.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging. De zaak zal opnieuw inhoudelijk worden behandeld in het hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 11/01478
Mr. Silvis
Zitting 17 april 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is bij arrest van 6 januari 2011 door het Gerechtshof te Amsterdam ter zake van "overtreding van artikel 5 van Pro de wegenverkeerswet 1994" ontslagen van alle rechtsvervolging.
2. De plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket Amsterdam, mr. L. Plas, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit heeft ontslagen van alle rechtsvervolging op gronden die niet, zonder meer, begrijpelijk zijn.
4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 9 december te Huizen als bestuurder van een voertuig, personenauto, daarmee rijdende op de weg, de Huizermaatweg, komende uit de richting van de Graaf Floris en gaande in de richting van de Fauna, alwaar verdachte in een flauwe bocht naar links met zijn rechtervoorband tegen de aldaar gelegen trottoirrand is aangebotst en met zijn rechtervoorband in de aldaar gelegen grasberm terecht is gekomen, waardoor hij, verdachte, de macht over het stuur is kwijtgeraakt en tegen een in de middenberm van de Huizermaatweg staande boom is aangebotst en vervolgens op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomende verkeer tot stilstand is gekomen, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers is hij, verdachte, toen aldaar tegen een boom aangebotst als gevolg waarvan inzittende [betrokkene 1] letsel heeft bekomen."
5. Het Hof heeft ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte het volgende overwogen en beslist:
"De raadsman heeft aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, er dan sprake is van afwezigheid van alle schuld en dat de verdachte op die grond moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Dienaangaande overweegt het Hof als volgt:
- bij het technisch onderzoek na het ongeval bleek een berekening van de snelheid waarmee de verdachte vlak voor het ongeval heeft gereden niet mogelijk en ook andere relevante gegevens heeft het technisch onderzoek niet opgeleverd. De auto vertoonde geen technische gebreken, die van invloed zouden kunnen zijn op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval. De weersomstandigheden waren goed;
- een drietal getuigen in de buurt van het ongeval heeft geen informatie kunnen geven die enig inzicht zou kunnen geven over de toedracht van het ongeval. Medepassagier [betrokkene 2], die rechtsvoor heeft gezeten, verklaart slechts dat de auto aan de rechterzijde de stoeprand heeft geraakt waardoor de auto iets omhoog kwam. De verdachte en de tweede inzittende kunnen zich van het ongeval niets herinneren;
- de verdachte heeft geen middelen gebruikt die de rijvaardigheid zouden kunnen beïnvloeden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij nooit alcohol drinkt - daarom wordt hij vaak als chauffeur (BOB) gevraagd- en dat hij een rustige bestuurder is. Er zijn geen aanwijzingen dat de aandacht van verdachte door het gedrag van zijn medepassagiers, op het moment van het ongeval of vlak daarvoor zou zijn afgeleid.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ten aanzien van de aanleiding voor dan wel de oorzaak van het raken van de stoeprand, welke aanraking onmiskenbaar de oorzaak is geweest van de botsing tegen de boom, geen enkele betrouwbare uitspraak kan worden gedaan, noch in technische zin, noch in de sfeer van de rijstijl van de verdachte. De vraag of de verdachte van het raken van de stoeprand ook maar enig verwijt kan worden gemaakt kan dus niet worden beantwoord.
Nu niet is gebleken dat de verdachte niet de maximaal te vergen zorg heeft betracht en ook overigens niet is gebleken van relevante schuld, komt het hof tot de slotsom dat de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt van het veroorzaken van het ongeval. Hij is daarom niet strafbaar en hij moet van alle rechtsvervolging worden ontslagen."
6. Het volgende kan worden vooropgesteld. In het geval van een bewezen verklaarde overtreding is de maatstaf voor alle afwezigheid van schuld of aannemelijk is geworden dat verdachte niet anders kon of behoorde te handelen. Alle schuld aan de bewezen verklaarde overtreding zou bij verdachte ontbreken, indien aannemelijk zou zijn, dat hem redelijkerwijze geen mogelijkheid heeft opengestaan om de in de bewezenverklaring bedoelde gevaarzetting te vermijden.(1)
7. Vellinga(2) schrijft dat aan het veroorzaken van een belemmering of gevaar als bedoeld in art. 25 WVW Pro (oud), de voorloper van het huidige art. 5 WVW Pro 1994, ongeoorloofd gedrag als oorzaak ten grondslag moet liggen. Pas als er sprake is van uit verkeersoogpunt ongeoorloofd gedrag kan worden nagegaan of daardoor een belemmering of gevaar teweeg is gebracht.(3) Dat is de bewijskwestie: is de veiligheid op de weg door van uit verkeersoogpunt ongeoorloofd gedrag van verdachte in gevaar gebracht? Als dat niet uit de bewijsmiddelen valt af te leiden, dient vrijspraak te volgen.(4)
8. Het Hof heeft geoordeeld dat het gevaar voor de veiligheid op de weg uit de bewijsmiddelen valt af te leiden en dat dit gevaar veroorzaakt werd door van uit verkeersoogpunt ongeoorloofd gedrag van verdachte. Het Hof heeft dit uitdrukkelijk in de bespreking van een (bewijs)verweer overwogen:
"Het hof is ten aanzien van het tweede onderdeel van het bewijsverweer van oordeel dat, nog daargelaten of de verdachte de bocht nu wel of niet te ruim heeft genomen, er sprake is geweest van een verkeersfout van de verdachte en dat dit gedrag van de verdachte er de oorzaak van is geweest dat gevaar op de weg is veroorzaakt. De door de verdachte bestuurde auto is immers door het weggedrag van de verdachte tegen een stoeprand gereden, waarna de auto, na een vergeefse stuurcorrectie, tegen een boom is gebotst, met voornoemd gevolg."
9. Het Hof heeft bewezen kunnen achten dat verdachte een verkeersfout heeft gemaakt waardoor een ongeval ontstond. Om vervolgens nog tot afwezigheid van alle schuld te kunnen komen, moet aannemelijk zijn dat verdachte redelijkerwijze geen (aanvaardbare) mogelijkheid had om de in de bewezenverklaring bedoelde gevaarzetting te vermijden.
10. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of verdachte het feit heeft kunnen vermijden. Door op die grond afwezigheid van alle schuld aan de bewezen verklaarde overtreding aan te nemen, heeft het Hof een onjuiste maatstaf toegepast.
11. Het is evenmin zo dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar 's Hofs oordeel het bestaan van feiten en omstandigheden, die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, aannemelijk heeft gemaakt.(5)
12. Het middel is terecht voorgesteld.
13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terug- dan wel verwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 30 november 1971, LJN: AB6496, NJ 1972/313.
2 Mr. W.H. Vellinga, Gevaar en schuld op de weg, 1979, p. 30/31.
3 Vgl. HR 4 november 1975, LJN: AB3762, NJ 1976/192; HR 29 september 1953, VR 1954/12.
4 Mr. W.H. Vellinga, Gevaar en schuld op de weg, 1979, p. 69/70.
5 Zie HR 3 mei 1966, LJN: AB3609, NJ 1968/26.