1 Onderdeel van de Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
2 Tot dan toe hadden de betrokkenen woon- en verblijfplaats in Den Haag.
3 Zie HR 13 april 2012, NJ 2012, 245, rechtspraak.nl LJN BV2363.
4 Zie rov. 11 van de desbetreffende beschikking. Deze is onder meer kenbaar uit prod. 7 bij het verzoekschrift in de eerste aanleg van de Centrale Autoriteit.
5 Ik zal mij verder onthouden van beschouwingen over de beslissingen die in een aantal andere conflicten tussen de partijen zijn gegeven, maar wil op deze plaats de ontboezeming kwijt, dat die meer dan eens als minder gelukkig treffen. Dat geldt ook voor de beslissing van de rechtbank die ik hier heb vermeld.
6 Trb. 1987, 139.
7 Blijkens een kort-geding vonnis dat gevoegd is bij de schriftelijke toelichting namens de Centrale Autoriteit, zou dit op 22 december 2011 zijn gebeurd.
8 De in cassatie bestreden beschikking is van 6 december 2011 (in de "kop" staat, kennelijk abusievelijk, de datum 6 december 2012 vermeld). Het cassatierekest is op 9 december 2011 ingekomen.
9 Zie over deze vraag ook alinea's 2.1 - 2.3 van de conclusie van A - G Vlas voor HR 8 juni 2012, rechtspraak.nl LJN BW4002.
10 Zie laatstelijk HR 20 april 2012, rechtspraak.nl LJN BV6484, rov. 3 3; zie ook de conclusie voor HR 25 mei 2012, rechtspraak.nl LJN BV9538.
11 Zie ook EHRM 2 november 2010, zaaknr. 7239/08, EHRC 2011, 43, onder het hoofd "(b) application of the general principles to the present case.".
12 Ik denk dat ik daarom voorbij kan gaan aan de verdere argumenten die met betrekking tot de ontvankelijkheid zijn uitgewisseld, inclusief het argument dat dit gegeven in cassatie tardief te berde zou zijn gebracht en daarom niet beoordeeld zou hoeven worden.
Ik merk wel op dat dat laatste argument mij niet juist lijkt: in de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over het belangenvereiste in zaken betreffende kinderbescherming e.a., is de ontvankelijkheid steeds, waar nodig, ambtshalve getoetst. Dat zou dan ook in deze zaak moeten gebeuren, verondersteld dat er relevante gronden waren om die ontvankelijkheid ter discussie te stellen.
13 Pérez-Vera, Explanatory Report bij het HKOV, nr. 9, nrs. 16 - 19 en nrs. 65 e.v.
14 Ibid. nrs. 11 - 17.
15 Zelfde bronnen. Zoals het in nr. 11 wordt gezegd: "...the situations envisaged are those which derive from the use of force to establish artificial jurisdictional links on an international level, with a view to obtaining custody of a child. The variety of different circumstances which can combine in a particular case make it impossible to arrive at a more precise definition in legal terms.".
Zo wordt de strekking van het HKOV ook omschreven in de in voetnoot 11 aangehaalde beslissing van het EHRM.
16 In deze zin heeft ook de Hoge Raad geoordeeld in HR 28 september 2007, NJ 2008, 549 m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.2.2.
17 Maar het kan ook gaan om een beslissing waartegen (nog) geen rechtsmiddel was aangewend. Zo'n beslissing is immers - in beginsel - voor tenuitvoerlegging vatbaar.
18 HR 19 februari 1999, NJ 1999, 367, rov. 3.3.; HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 m.nt. CJHB, rov. 4.2.
19 Zoals ik al opmerkte, is dat te vinden in rov. 11, kenbaar uit Prod. 7 bij het inleidende verzoek van de Centrale Autoriteit.
20 Zie HR 5 november 2010, RvdW 2010, 1328, rov. 3.4.1.
21 Asser, Civiele cassatie, 2011, p. 44; AsserProcesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, p. 360.
22 Gewoonlijk aangeduid als "Brussel II bis".
23 Daarover HvJ EG/EU 2 april 2009, NJ 2009, 457 m.nt. Th.M. de Boer.