ECLI:NL:PHR:2012:BW8708

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/00756
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 WgbzArt. 409a lid 2 RvArt. 127a lid 3 RvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
15 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdige betaling griffierecht

Eisers hebben beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof, maar betaalden het griffierecht niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken na uitroeping van de zaak. De griffie stelde een uiterste betaaldatum van 23 maart 2012, maar betaling vond pas plaats op 4 april 2012. Hierdoor is het cassatieberoep op grond van artikel 409a lid 2 Rv niet-ontvankelijk.

Eisers voerden primair aan dat de Wet griffierechten burgerlijke zaken in strijd is met artikel 6 EVRM Pro (recht op toegang tot de rechter), en subsidiair dat de hardheidsclausule (art. 127a lid 3 Rv) toegepast moest worden omdat de griffie een verlenging van de betalingstermijn zou hebben toegezegd. De Hoge Raad oordeelde dat het recht op toegang tot de rechter niet in de kern werd aangetast en dat griffierechten een gerechtvaardigd doel dienen.

De mededelingen van de griffie waren niet misleidend; de betalingstermijn was correct gesteld op 23 maart 2012. De aanmaning van 30 maart 2012 bood geen verlenging van de termijn zonder gevolgen. Het beroep op de hardheidsclausule faalde daarom. Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Conclusie

12/00756
Mr. F.F. Langemeijer
1 juni 2012
Conclusie inzake:
1. [Eiseres 1]
2. [Eiser 2]
3. [Eiseres 3]
tegen
de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1]
1. Bij dagvaarding van 1 februari 2012 hebben eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 1 november 2011. De zaak is op 24 februari 2012 voor de eerste maal ter terechtzitting van de Hoge Raad uitgeroepen. Gedaagden in cassatie, de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1], zijn niet verschenen. Op 23 maart 2012 is tegen hen verstek verleend.
2. Op 5 maart 2012 heeft de griffie van de Hoge Raad aan de advocaat van [eiser] c.s. een nota griffierecht verzonden, met daarin de mededeling dat het bedrag van € 728,- uiterlijk 23 maart 2012 op de bankrekening van de Hoge Raad dient te zijn bijgeschreven en dat niet of niet tijdige betaling van het griffierecht tot gevolg heeft dat de dagvaarding in beginsel niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen. De griffie heeft geconstateerd dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en heeft op 30 maart 2012 een aanmaning gestuurd met daarin de mededeling dat het verschuldigde bedrag binnen 14 dagen na dagtekening alsnog dient te zijn betaald. Het griffierecht is op 4 april 2012 voldaan. [Eiser] c.s. zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de niet tijdige betaling.
3. Ingevolge artikel 3 lid 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) behoorden [eiser] c.s. ervoor zorg te dragen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na uitroeping van de zaak ter terechtzitting was bijgeschreven op de rekening van de griffier van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad was gestort. De wettelijke betalingstermijn liep af op 23 maart 2012. [Eiser] c.s. hebben het griffierecht eerst op 4 april 2012 en derhalve niet binnen de wettelijke termijn voldaan. Artikel 409a lid 2 Rv bepaalt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep hiervan de consequentie is.(1)
4. Art. 127a lid 3 in verbinding met art. 409a lid 3 Rv biedt een mogelijkheid om deze sanctiebepaling buiten toepassing te laten indien de rechter van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van een of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de zgn. 'hardheidsclausule'). Bij akte uitlating van 4 mei 2012 heeft de advocaat van [eiser] c.s. zich primair op het standpunt gesteld dat de Wet griffierechten burgerlijke zaken in strijd is met het EVRM. Subsidiair heeft de advocaat kennelijk beoogd een beroep op de hardheidsclausule te doen. Ter adstructie van dit beroep heeft hij gewezen op de op 30 maart 2012 verzonden aanmaning, waarin is meegedeeld dat binnen 14 dagen na dagtekening alsnog dient te zijn betaald. Volgens hem is de wettelijke betalingstermijn daarmee verlengd tot 14 april 2012.
5. Wat betreft de primair opgeworpen stelling geldt het volgende. De in art. 6 lid 1 EVRM Pro geregelde vrijheid van toegang tot de rechter, waarop de advocaat van [eiser] c.s. kennelijk het oog heeft, is niet absoluut, nu de overheid aan die vrijheid beperkingen mag stellen die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn ter bereiking van een gerechtvaardigd doel. Griffierechten worden geheven ter bestrijding van de voor de overheid aan rechtspraak verbonden kosten en, als het gaat om griffierechten voor hoger beroeps- en cassatie-instanties, tevens als financiële prikkel gericht op het voorkomen van onnodig gebruik van de rechtspraak. Dat is als een gerechtvaardigd doel aan te merken. De heffing van griffierechten is weliswaar te beschouwen als een beperking van het recht op toegang tot de rechter, maar die beperking is niet onverenigbaar met artikel 6 EVRM Pro, zolang het daardoor gegarandeerde recht niet in zijn kern wordt aangetast.(2) De algemeen geformuleerde stelling dat de Wet griffierechten burgerlijke zaken in strijd is met het EVRM is dan ook onjuist. Voorts is gesteld noch gebleken dat het recht op toegang tot de cassatierechter in dit specifieke geval in de kern is aangetast. In elk geval op 4 april 2012 waren [eiser] c.s. in staat het verschuldigde griffierecht van € 728,- te voldoen. Uit niets volgt dat tijdige betaling voor hen niet mogelijk zou zijn geweest.
6. Ten aanzien van de subsidiaire stelling geldt in de eerste plaats dat de advocaat door wie partijen in cassatie in alle gevallen worden vertegenwoordigd, op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht moet worden op de hoogte te zijn van de termijn voor betaling en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan (vgl. HR 4 november 2011 (LJN: BU3348), NJ 2012/170 m.nt. H.B. Krans en HR 4 november 2011 (LJN: BQ7045), NJ 2012/171 m.nt. H.B. Krans(3). Nochtans is in rov. 3.4 van de eerstgenoemde beschikking overwogen dat er aanleiding bestaat toepassing te geven aan de hardheidsclausule in zaken waarin, naar de Hoge Raad bekend is, door de met de inning van griffierechten in cassatie belaste gerechtelijke administratie stelselmatig van de wettelijke regeling afwijkende mededelingen zijn gedaan met betrekking tot de termijn waarbinnen het verschuldigde griffierecht moet zijn voldaan op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep. Anders dan de advocaat van [eiser] c.s. veronderstelt, kan deze redenering in dit geval niet worden toegepast. De op 5 maart 2012 aan de advocaat verzonden nota houdt niet een van de wet afwijkende mededeling in. De daarin genoemde uiterste datum voor betaling - 23 maart 2012 - is de datum die volgt uit toepassing van de in art. 3 lid 3 Wgbz Pro genoemde termijn. [Eiser] c.s. hebben deze termijn ongebruikt laten verstrijken. De niet tijdige betaling is niet te wijten aan verwarringwekkende informatie van de gerechtelijke administratie. De op 30 maart 2012 door de griffie verzonden aanmaning, met mededeling dat het verschuldigde bedrag binnen 14 dagen na dagtekening dient te worden betaald, houdt geen mededeling in over een alsnog geboden gelegenheid om het griffierecht te betalen zonder te hoeven vrezen voor een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens te late betaling. Gesteld noch gebleken is dat van de zijde van de Hoge Raad of zijn griffie anderszins mededelingen van die strekking zijn gedaan of een dergelijke suggestie is gewekt. Het beroep op de hardheidsclausule moet dan ook falen.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Vgl. HR 4 november 2011 (LJN: BQ4182), NJ 2012/172 m.nt. H.B. Krans; HR 16 maart 2012 (LJN: BU7361).
2 Vgl. HR 27 januari 2012 (LJN: BV2020), NJ 2012/201 onder verwijzing naar de alinea's 2.11 - 2.14 van de conclusie voor HR 8 juli 2011 (LJN: BQ3883), NJ 2012/169 m.nt. H.J. Snijders.
3 Zie nadien nog: HR 10 februari 2012 (LJN: BV3556) en HR 10 februari 2012 (LJN: BU9900).