1 Rov. 3.1-3.4 van het bestreden arrest en rov. 2.1-2.7 van het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 mei 2009.
2 Het hof voegt deze feiten toe in rov. 3.3 en 3.4.
3 HR 26 januari 1990 (Windmill), LJN: AC0965, NJ 1991, 393, m.nt. MS, rov. 3.2: "(...) Het gaat hier om de vraag of de overheid, ingeval haar bij een publiekrechtelijke regeling ter behartiging van zekere belangen bepaalde bevoegdheden zijn toegekend, die belangen ook mag behartigen door gebruik te maken van haar in beginsel krachtens het privaatrecht toekomende bevoegdheden, zoals aan het eigendomsrecht ontleende bevoegdheden, de bevoegdheid overeenkomsten naar burgerlijk recht te sluiten of de bevoegdheid een vordering op grond van een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter in te stellen. Wanneer de betrokken publiekrechtelijke regeling daarin niet voorziet, is voor de beantwoording van deze vraag beslissend of gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden die regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Daarbij moet o.m. worden gelet op inhoud en strekking van de regeling (die mede kan blijken uit haar geschiedenis) en op de wijze waarop en de mate waarin in het kader van die regeling de belangen van de burgers zijn beschermd, een en ander tegen de achtergrond van de overige geschreven en ongeschreven regels van publiek recht. Van belang is voorts of de overheid door gebruikmaking van de publiekrechtelijke regeling een vergelijkbaar resultaat kan bereiken als door gebruikmaking van de privaatrechtelijke bevoegdheid, omdat, zo zulks het geval is, dit een belangrijke aanwijzing is dat geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg." Zie voor een kritische bespreking van de doorkruisingsleer J.A.F. Peters, De houdbaarheid van de doorkruisingsformule, NTB 2001/9, p. 241-248; zie voorts A.A. van Rossum, Contracteren met de overheid: wanneer mag de overheid gebruik maken van het privaatrecht en welke normen zijn op privaatrechtelijk handelen van de overheid van toepassing?, Contracteren 2005, p. 85-93. Zie ook: J.A.E. van der Does en G. Snijders, Overheidsprivaatrecht (2001), p. 18-25, p. 64-65. Zie voor een bespreking van de doorkruisingsleer in relatie met de Huisvestingswet onder meer O.A. Dijkstra, Inleiding ruimtelijke ordening en volkshuisvesting (2006), p. 518; E.W.J. de Groot en G.A. van der Veen, Contracteren over ruimtegebrek en publiekrechtelijke bevoegdheden; wat kan en wat niet kan, Bouwrecht 2003/8, p. 649-662, in het bijzonder p. 660; J.C. Dieleman, Privaatrechtelijke verdeling van woonruimte en bouwkavels, Bouwrecht 2002/2, p. 127-136, in het bijzonder p. 129/130; J.R. Radermacher Schorer en M.J.E.M. Jager, Huisvestingswetgeving (2010), p. 16/17.
4 Zie J.A.E. van der Does en G. Snijders, Overheidsprivaatrecht (2001), p. 8-10.
5 HR 7 mei 2004, LJN: AO3860, NJ 2005, 23, m.nt. PCEvW, AB 2004, 247, m.nt. G.A. van der Veen.
6 HR 14 april 2006, LJN: AU8946, NJ 2006, 445, m.nt. MRM, AB 2006, 198, m.nt. J.J. Hoekstra en G.A. van der Veen.
7 Wetsvoorstel 32 271. In de nota van wijziging is de verwachting uitgesproken dat de voorgestelde wet voor het einde van 2012 in werking zal treden en is het (tot dan opengelaten jaartal) aan de citeertitel van de wet toegevoegd en zijn de verschillende verwijzingen naar die citeertitel aangepast; zie Kamerstukken II 2010/11, 32 271, nr. 8, p. 10. Ook in de door mij op te nemen citaten uit de Kamerstukken heb ik de citeertitel van de voorgestelde wet overeenkomstig de nota van wijziging aangevuld.
8 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, p. 44.
9 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, p. 2.
10 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, nr. 3, p. 16.
11 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, nr. 3, p. 27/28.
12 Kamerstukken II 2010/11, 32 271, nr. 8.
13 Kamerstukken II 1987/88, 20 520, nr. 3, p. 6.
14 Kamerstukken II 1987/88, 20 520, nrs. 1-2, p. 3.
15 Kamerstukken II 1990/91, 20 520, nr. 6, p.
16 Kamerstukken II 1990/91, 20 520, nr. 6, p. 10/11.
17 Kamerstukken II 1990/91, 20 520, nr. 5, p. 23.
18 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, p. 6.
19 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, p. 30/31.
20 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, p. 73/74.
21 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, p. 2/3.
22 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, p. 25.
23 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, p. 43.
24 Kamerstukken II 2009/10, 32 271, nr. 3, p. 22/23.
25 Zie in het bijzonder de conclusie van repliek onder 19: "(...) Echter, omdat de Portiekwoningen al gesplitst zijn, heeft de Gemeente de mogelijkheid om, door middel van de instrumenten van de woningvoorraad (lees: Huisvestingswet), de Portiekwoningen te behouden voor de Kernvoorraad al verspeeld."