ECLI:NL:PHR:2012:BW5002

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00465
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 SvArt. 359 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens gerechtvaardigd vertrouwen en procesorde in belastingzaak

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden verdachte veroordeeld voor het opzettelijk onttrekken van eigen goed aan een pandrecht en het doen van onjuiste belastingaangiften. De verdediging stelde onder meer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens gerechtvaardigd vertrouwen gewekt door de Belastingdienst en schending van beginselen van een behoorlijke procesorde.

De Hoge Raad stelt dat het hof op straffe van nietigheid een met redenen omklede beslissing had moeten geven op dit verweer, maar dat het hof dit niet heeft gedaan. Hoewel het middel terecht is voorgesteld, leidt dit niet tot cassatie omdat het verweer geen doel kan treffen. Het gerechtvaardigd vertrouwen kan niet worden ontleend aan uitlatingen van onbevoegde functionarissen en er was geen grove veronachtzaming van het recht op een eerlijke behandeling.

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep, waarbij de advocaat-generaal zich ook over de overige middelen kan uitlaten. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 11/00465
Mr. Hofstee
Zitting: 20 maart 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verzoeker bij arrest van 9 augustus 2010 wegens feit 3: "opzettelijk zijn eigen goed onttrekken aan een pandrecht" en feit 4, 5, en 6 telkens: "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd", veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr. H. Veldman, advocaat te Peize, een schriftuur ingezonden houdende zeven middelen van cassatie.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft verzuimd te beslissen op het door de verdediging gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijkheid dient te worden verklaard in zijn vervolging.
4. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 26 juli 2010 heeft de raadsman van verzoeker het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn aan het Hof overgelegde en aan voormeld proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze houdt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende in (zie pag. 11 en 12):
"3. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
Onder verwijzing naar hetgeen ik in paragraaf 2.2 hiervoor heb opgemerkt stel ik mij op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zal moeten worden verklaard in diens vervolging tegen [verdachte]. Als argumenten daarvoor voer ik aan dat de Belastingdienst door zich niet te houden aan de afspraken zoals die zijn gemaakt op 7 augustus 2001 en na ontvangst van de ingediende 'aangifte' ruim twee jaren niets van zich te laten horen, het vertrouwen heeft gewekt dat het allemaal in orde was. Dit geldt temeer nu het voor de [B]elastingdienst onmiskenbaar was dat de ingediende 'aangifte' niet in overeenstemming was met het standpunt van de Belastingdienst als verwoord tijdens het gesprek op 7 augustus 2001 en er dus des temeer reden was om contact op te nemen met [verdachte]. Deze handelwijze van de Belastingdienst zal zijn weerslag moeten vinden met betrekking tot het recht van vervolging van het Openhaar Ministerie door deze niet ontvankelijk te verklaren. In dit verband had ik graag nog inzage willen verkrijgen in de ATV stukken, maar die inzage is mij door de Advocaat-generaal geweigerd, zodat ik niet kan beoordelen of op grond van de ATV richtlijnen op goede gronden voor een strafrechtelijke afwikkeling is gekozen in plaats van een afwikkeling volgens het belastingrecht. Een tweede argument om te komen tot een niet ontvankelijkheid is daarin gelegen dat er in weerwil [van] Europese regelgeving opsporingshandelingen zijn verricht met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de detacheringsverklaringen, terwijl het onderzoek naar en de toetsing van, zoals in paragraaf 2.2 hiervoor uiteengezet, relevante feiten dienaangaande enkel is voorbehouden aan de uitzendende lidstaat. Bovendien zijn de opsporingshandelingen verricht nadat de IKK Niedersachsen reeds kenbaar had gemaakt dat de detacheringsverklaringen niet zullen worden ingetrokken. Kortom, ik concludeer tot niet ontvankelijkheid van bet Openbaar Ministerie."
5. Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als behelzende een (uitdrukkelijk) beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging, onder meer vanwege een schending van het vertrouwensbeginsel. Het aangevoerde moet immers worden opgevat als een 'uitdrukkelijk voorgedragen verweer' waarop het Hof ingevolge art. 358, derde lid, in verband met art. 359, tweede lid eerste volzin, Sv bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Nu het Hof dit blijkens zijn arrest niet heeft gedaan, dient ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid te volgen.
6. Het middel is terecht voorgesteld.
7. Ik meen gelet op het voorgaande dat de overige middelen geen bespreking behoeven, maar ben in het geval Uw Raad daarover anders mocht oordelen uiteraard graag bereid nader aanvullend te concluderen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G