ECLI:NL:PHR:2012:BW3263
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Appellabiliteit van vonnis inzake vordering tot overlegging van bescheiden op grond van art. 223 en 843a Rv
In deze zaak staat de vraag centraal of tegen een vonnis waarin een tijdens een aanhangig geding ingestelde vordering tot overlegging van bescheiden op grond van art. 223 Rv Pro en/of art. 843a Rv is afgewezen, zonder voorafgaand verlof tussentijds hoger beroep openstaat.
De feiten betreffen een civiele procedure waarin Fortis een vordering tot overlegging van stukken had ingesteld, welke door de rechtbank was afgewezen. Fortis kwam hiertegen in hoger beroep, maar het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. ABN AMRO, als eiseres tot cassatie, stelt belang te hebben bij cassatie omdat zij de gevraagde stukken nodig heeft ter onderbouwing van haar verweer in een andere procedure.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de aard van provisionele vonnissen en de uitzonderingen op het verbod van tussentijds hoger beroep. Daarbij wordt geoordeeld dat beslissingen over vorderingen tot overlegging van bescheiden, ook indien gebaseerd op art. 843a Rv, geen voorlopige voorzieningen zijn maar tussenuitspraak betreffen die de voortgang en instructie van de zaak dienen. Dit betekent dat het verbod van tussentijds hoger beroep van toepassing is, tenzij de rechter verlof verleent.
De conclusie bevat een uitgebreide analyse van jurisprudentie en literatuur, waarbij wordt bevestigd dat het onderscheid tussen toewijzing en afwijzing van een dergelijke vordering niet leidt tot verschillende appellabiliteit. De Hoge Raad benadrukt dat de wetgever met wetsvoorstellen beoogt het inzagerecht te verbeteren, maar dat tussentijds beroep tegen dergelijke tussenuitspraak in beginsel is uitgesloten. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatiemiddel.
Uitkomst: Het vonnis waarin de vordering tot overlegging van bescheiden is afgewezen, is een tussenuitspraak waarop het verbod van tussentijds hoger beroep van toepassing is.