ECLI:NL:PHR:2012:BW1278
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderalimentatie en draagkracht man na beëindiging relatie
De vrouw en de man hadden een relatie waaruit drie kinderen zijn geboren. Na beëindiging van de relatie vroeg de vrouw bij de rechtbank Rotterdam om vaststelling van kinderalimentatie. De rechtbank stelde een lage bijdrage vast, die het hof in hoger beroep verhoogde vanaf de datum van overdracht van de voormalige gezamenlijke woning van partijen.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat de man de woonlasten niet kon delen met zijn zus of broer, terwijl de man en zijn zus mede-eigenaren waren en de broer op hetzelfde adres stond ingeschreven. Het hof had deze stellingen echter beoordeeld aan de hand van bewijsstukken en waarderingen, waarbij het niet onbegrijpelijk was dat het hof deze gedeelde woonlasten niet aannam.
Verder was er discussie over de vraag of de man de rente en premie van de voormalige woning had betaald, terwijl hij volgens een brief van de bank betalingsachterstand had. Het hof hield rekening met deze lasten als bestaande schulden die de draagkracht beïnvloeden, ook al waren ze niet volledig betaald. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze beoordeling terecht had gemaakt en verwierp het cassatieberoep van de vrouw.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het hofbesluit over de kinderalimentatie en draagkracht van de man blijft in stand.