1 Rechtbank 's-Gravenhage 29 april 2010, nr. AWB 09/937, LJN BM5845, NTFR 2010/1844, met noot Van Daal.
2 Hof 's-Gravenhage 8 juni 2011, nr. BK-10/334, LJN BR1993.
3 Conclusie van repliek, 15 november 2011, nr. 553140/FV/1968309.
4 Conclusie van dupliek, 14 december 2011, nr. DGB 2011-7122.
5 Motivering beroepschrift in cassatie van 2 september 2011, nr. 553140/FV/1 944499.
6 Kamerstukken II 1999/2000, 27 209, nr. 6 (NnavV), p. 8.
7 Verweerschrift Staatssecretaris van Financiën, 19 oktober 2011, nr. 553140/FV/1 944499.
8 Ik neem aan dat dit citaat, ook al is het niet geheel verbatim, afkomstig is uit de Belastingherziening 1949 (Wijziging van de ondernemingsbelasting), zitting 1948-1969 - 1251, nr. 3 (MvT), blz. 6.
9 HR 18 maart 1970, nr. 16 322, LJN AX5829, BNB 1970/93.
10 HR 25 maart 1981, nr. 20 269, na conclusie Van Soest, LJN AW9602, BNB 1981/172, met noot Slot.
11 HR 15 april 1998, nr. 33 228, LJN AA2491, BNB 1998/232, met noot Slot, FED 1998/410, met aantekening Russo, V-N 1998/20.13.
12 HR 26 april 1978, nr. 18 402, na conclusie Van Soest, LJN AX2941, BNB 1978/140.
13 HR 1 november 1989, nr. nr. 25 303, na conclusie Verburg, LJN ZC4131, BNB 1990/62, met noot Slot, FED 1990/6, met noot Russo, V-N 1989, blz. 3402.
14 HR 22 oktober 2010, nr. 09/04077, LJN BO1393, BNB 2010/336, met noot Lubbers, FED 2010/122, met aantekening Russo, NTFR 2010/2558, met Bruins Slot. V-N 2010/54.12.
15 A.O. Lubbers en M. Schaap, 'Wetgevingsdilemma's voor de belastingrechter, geïllustreerd aan de hand van de ruilgedachte', WFR 2011/1302.
16 Voetnoot in origineel: "Vergelijk echter Hof 's-Gravenhage 8 juni 2011, nr. BK-10/334, LJN BR1993, waarin kortweg wordt overwogen dat de ruilarresten niet op passiva van toepassing zijn."
17 R.P.C. Cornelisse, 'De 'Ruilarresten' revisited, MBB 2011, nr. 12.
18 PJW: Cornelisse bedoelt de eerder door hem besproken arresten, zoals HR BNB 2010/336 en HR BNB 2007/17
19 Voetnoot in origineel: "In gelijke zin A.O. Lubbers en M. Schaap, 'Wetgevingsdilemma's voor de belastingrechter, geïllustreerd aan de hand van de ruilgedachte', WFR 2011/6924, p. 1304, r.k. Anders Hof Den Haag 8 juni 2011, nr. BK-10/334, LJN: BR1993, NTFR 2011/2422 (met commentaar Bruijsten; het betrof de vraag of op een zogenoemde surveyreserve de ruilgedachte toepassing kon vinden)."
20 Voetnoot in origineel: "Men kan het ook zo zien dat de valutakoerswinst mogelijk aangewend zal moeten worden om - bij een tegenvallende valutakoersontwikkeling - het nominale bedrag van de schuld t.z.t. af te lossen. Zulks geldt a fortiori indien een schuld wordt vervangen door een andere schuld die luidt in dezelfde valuta."
21 Voetnoot in origineel: "De op basis van art. 7, lid 5, Wet VPB 1969 vastgestelde ministeriële regeling van 21 augustus 1997 (V-N 1997, p. 3043 e.v.) laat in een vergelijkbare situatie (vergelijk art. 3, lid 2) uitstel van winstneming toe (tot het moment van voldoening van de aflossing(en)). Dit vormt in zoverre een wettelijke verruiming van goed koopmansgebruik."
22 Voetnoot in origineel: "Er is slechts sprake van een valutakoersresultaat indien in plaats van een passivavervanging de desbetreffende belastingplichtige een valutaswap dan wel een valutatermijntransactie aangaat. In deze gevallen kan - met inachtneming van dezelfde voorwaarden - de ruilgedachte toepassing vinden."
23 S.F.M. Niekel, 'Fiscale hedge accounting in het IFRS-tijdperk', TFO 2005/115.
24 Voetnoot in het origineel: "Vergelijk HR 3 december 1952, BNB 1953/19, waarin de Hoge Raad niet toestond de activa en passiva van een buitenlandse vaste inrichting als één geheel te waarderen. Dit neemt overigens niet weg dat goed koopmansgebruik toestaat bij gelijksoortige vermogensbestanddelen bepaalde risico's via collectieve waardering tot uitdrukking te brengen, bijvoorbeeld bij het waarderen van debiteurenrisico. Vergelijk HR 11 december 1957, BNB 1958/22 en Bundesfinanzhof (hierna: BFH) 1 april 1958, I 60/57 U, Bundessteuerblatt (hierna: BStBl.) III 1958, 291."
25 Voetnoot in het origineel: "Het Einzelbewertungsbeginsel wordt ook onder IFRS nog steeds als basisregel aangehouden. Zie IAS 1.32: 'Assets and liabilities, and income and expenses, shall not be offset unless required or permitted by a Standard or an Interpretation.'"
26 Voetnoot in het origineel: "W.D. Budde en H. Geißler, Beck'scher Bilanz-Kommentar, § 252, aant. 22, blz. 402, 1999 (vierde druk)."
27 Voetnoot in het origineel: "In deze zin reeds: J.J.H. Jacobs, Het bedrijfsmiddel, blz. 221, Tjeenk Willink 1974."
28 Voetnoot in het origineel: "BFH 15 oktober 1997, I R 16/97, BStBl. II 1998, 249. Aldus houdt het waarderingsvraagstuk nauw verband met de eenheid van winstneming, zie J.A. Dijkman, Hedging van valuta- en renterisico's en de (fiscale) jaarwinstbepaling, blz. 68, Stichting Moret Fonds 1998."
29 Voetnoot in het origineel: "Een actueel voorbeeld betreft de vraag of grond en opstal tezamen als één bedrijfsmiddel moeten worden beschouwd. De cassatieprocedure naar aanleiding van Hof Arnhem 14 maart 2003, nr. 99/1224, V-N 2003/29.2.7, is momenteel aanhangig onder rolnummer 39 548. Deze vraag is overigens door het Bundesfinanzhof reeds lang geleden in negatieve zin beslist en ook de IFRS gaan uit van een afzonderlijke waardering (IAS 16.58)."
30 Voetnoot in het origineel: "Zie bijvoorbeeld HR 14 augustus 1985, BNB 1985/332."
31 Voetnoot in het origineel: "Zie HR 22 maart 1989, BNB 1989/146, en de daarbijbehorende conclusie van A-G Verburg. In Duitsland wordt als doorslaggevend criterium gehanteerd de 'Nutzungs- und Funktionszusammenhang' tussen twee of meer objecten. Zie bijvoorbeeld BFH 18 augustus 1977, VIII R 7/74, BStBl. II 1977, 796 en BFH 28 juli 1993, I R 88/92, BStBl. II, 1994, 164."
32 HR 23 januari 2004, nr. 37 893, na conclusie Groeneveld, LJN AI0670, BNB 2004/214, met noot R.J. de Vries, FED 2004/57; NTFR 2004/99, met noot Antonisse, V-N 2004/10.7.
33 16 november 2007, nr. 42 970, na conclusie Wattel, LJN AZ7371, BNB 2008/26, met noot Cornelisse, FED 2008/13, met noot Verhagen, NTFR 2007/2072, met noot Ligthart, V-N 2007/55.16.
34 HR 10 april 2009, nr. 42 916, na conclusie Wattel, LJN AZ7364, BNB 2009/271, met noot van der Geld, FED 2009/52, met aantekening Verhagen; NTFR 2009/821, met noot Ligthart, V-N 2009/18.19.
35 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3 (MvT), blz. 114.
36 HR 24 december 1969, nr. 16 248, BNB 1970/67.
37 HR 21 juni 1989, nr. 25 558, LJN ZC4064, BNB 1989/248, FED 1990/112, met aantekening Th.S. IJsselmuiden, V-N 1989, blz. 2064
38 R. Russo, 'Herinvesteringsreserve' (FM nr. 62), Kluwer, Deventer: 2004, p. 143-144.
39 Voetnoot in origineel: "Zie voor het begrip 'opbrengst' verder paragraaf 5.3.3."
40 Voetnoot in origineel: "Zie hiervoor L. Lancee in zijn noot bij HR 24 december 1969, FED IB 1964: artikel 13: 1. Hij memoreert daarin ook de opvatting van Brüll, die stelt dat in plaats van een kostenegalisatiereserve ook een hoger afschrijvingspercentage kan worden gehanteerd. Bij een dergelijke hogere afschrijving is de vervangingsreserve ook hoger dan wanneer een aparte kostenegalisatiereserve wordt gevormd."
41 Voetnoot in origineel: "In het arrest van 1969 zegt de Hoge Raad: 'dat in het midden gelaten kan worden of een reserve voor surveykosten als zodanig gehandhaafd kan worden gedurende het bestaan van de bij de vervreemding van het schip gevormde vervangingsreserve (...)' In het arrest van 1989 luidt de formulering: 'De aard van de reserve brengt mee dat deze aan de winst wordt toegevoegd indien moet worden aangenomen dat de kosten waarvoor zij is gevormd, niet zullen worden gemaakt. Dit is in de regel het geval indien de reserve betrekking heeft op kosten die zijn verbonden aan het bezit van een bepaald bedrijfsmiddel, en dit bedrijfsmiddel buiten bedrijf wordt gesteld of wordt
afgestoten'. (cursivering van R.R.)."
42 HR 10 augustus 2007, nr. 41 283, na conclusie Wattel, LJN AU3996, BNB 2007/302, noot Lubbers, V-N 2007/39.16, NTFR 2007/1459, noot De Jonge.
43 HR 2 januari 1958, nr. 13 379, BNB 1958/56.
44 Hierop bestaat wel een uitzondering. Afschrijvingskosten kunnen volgens de Hoge Raad wel tot de egalisatiereserve worden gerekend indien en voor zover de prestaties van het aan te schaffen bedrijfsmiddel betrekking zullen hebben op de bedrijfsuitoefening vóór de aanschaf. Zie HR 4 maart 1981, nr. 20 154, BNB 1981/183, met noot Verburg.
45 Zie o.m. blz. 2 van het proces-verbaal van de zitting van 2 maart 2010 bij de Rechtbank.
46 Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 4 juli 2000, nr. CPP2000/868, BNB 2000/292 inzake de reserve assurantie eigen risico.
47 Zie ook HR 10 december 1958, nr. 13 723, BNB 1959/45.
48 Verweerschrift Staatssecretaris van Financiën, 19 oktober 2011, nr. 553140/FV/1 944499, blz. 6.