ECLI:NL:PHR:2012:BV9601
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opvolgend werkgeverschap en overgang van onderneming bij arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
Eiseres was tot en met 31 maart 2008 in dienst bij Connexxion met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Per 1 april 2008 trad zij in dienst bij verweerster, eveneens voor bepaalde tijd, nadat de opdracht voor WMO-vervoer via aanbesteding was gegund aan verweerster. Eiseres stelde dat zij op grond van overgang van onderneming of opvolgend werkgeverschap aanspraak had op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
De rechtbanken oordeelden aanvankelijk in het voordeel van eiseres, maar het hof vernietigde deze vonnissen en wees de vorderingen af. Het hof stelde dat eiseres op het moment van de overgang geen werknemer meer was bij Connexxion, zodat art. 7:663 BW Pro niet van toepassing was. Ook was er geen sprake van opvolgend werkgeverschap in de zin van art. 7:668a lid 2 BW, omdat ondanks gelijke werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden de locatie en bedrijfsmiddelen waren gewijzigd en er geen band tussen de werkgevers bestond.
De Hoge Raad bevestigt dat de arbeidsovereenkomst met Connexxion eindigde op 31 maart 2008 en dat de nieuwe overeenkomst met verweerster een zelfstandige arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is. De Hoge Raad onderschrijft dat voor opvolgend werkgeverschap niet alleen dezelfde werkzaamheden vereist zijn, maar ook een zekere band tussen werkgevers, die hier ontbreekt. De conclusie is dat de vorderingen van eiseres terecht zijn afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat geen sprake is van overgang van onderneming of opvolgend werkgeverschap.