ECLI:NL:PHR:2012:BV9546
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling en grensbepaling van aan erfgenamen gezamenlijk toebehorende onroerende zaken
Deze zaak betreft de verdeling van twee aan erfgenamen gezamenlijk toebehorende woonhuizen met ondergrond en erf, gelegen aan aangrenzende percelen. De erflater overleed in 1991, waarna de economische eigendom van de woningen in 1985 aan twee kinderen werd overgedragen. Na het overlijden van de erflater werd een conceptakte van verdeling opgesteld, gevolgd door een vonnis dat een van de erfgenamen verplichtte mee te werken aan de verdeling conform die akte.
In 2006 vorderden eisers in conventie een verklaring voor recht omtrent de erfgrens conform een door het Kadaster vastgestelde grensreconstructie en de opheffing van een erfdienstbaarheid. Verweerster vorderde in reconventie dat de erfgrens en erfdienstbaarheden volgens haar tekening als juist zouden gelden. De rechtbank wees de vorderingen van eisers af en wees die van verweerster toe. Het hof bekrachtigde dit vonnis.
De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van een onzekere erfgrens die een rechterlijke grensbepaling rechtvaardigt. Het hof heeft de vorderingen van partijen juist uitgelegd als verklaringen voor recht over de ligging van de erfgrens, niet als grensbepalingsvorderingen ex art. 5:47 BW Pro. Tevens is geoordeeld dat de economische eigendomsoverdracht in de jaren '80 geen nieuwe eigendomsgrenzen heeft doen ontstaan. De klachten van eisers over onjuiste motivering en uitleg van het hof worden verworpen. Het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.