ECLI:NL:PHR:2012:BV8508
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Recht op afgifte kopieën patiëntendossiers door zelfstandig werkende arts na beëindiging samenwerking met kliniek
De zaak betreft een geschil tussen een cosmetisch chirurg die op basis van een samenwerkingsovereenkomst werkte en de kliniek waar hij werkzaam was. Na opzegging van de samenwerkingsovereenkomst eiste de arts kopieën van patiëntendossiers van door hem behandelde patiënten.
De rechtbank en het hof oordeelden dat zowel de kliniek als de arts als hulpverlener in de zin van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) moeten worden aangemerkt. Het hof veroordeelde de kliniek tot afgifte van kopieën van de dossiers zonder dat een toets op noodzakelijkheid vereist is, omdat de arts recht heeft op deze dossiers als hulpverlener.
De kliniek stelde dat de dossiers bij haar moeten blijven vanwege haar bewaarplicht en het belang van patiënten, en dat een belangenafweging nodig is. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat de arts als zelfstandig hulpverlener recht heeft op kopieën van de dossiers van zijn patiënten, ook na beëindiging van de samenwerking, en dat de kliniek deze gegevens kan verwijderen indien ze betrekking hebben op andere artsen.
De Hoge Raad benadrukte dat de bewaarplicht op zowel de kliniek als de arts kan rusten, maar dat dit niet afdoet aan het recht van de arts op inzage en kopieën van de dossiers. De uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen klinieken en zelfstandig werkende artsen omtrent patiëntendossiers en bevestigt het belang van de positie van de arts als hulpverlener.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de kliniek kopieën van patiëntendossiers aan de zelfstandig werkende arts moet afgeven zonder noodzakelijkheidstoets.