ECLI:NL:PHR:2012:BV1485
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende bewijs van goeder trouw en controle over schulden
Verzoekster heeft bij de rechtbank te Almelo een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dat op 30 juni 2011 werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij ter goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden, mede gelet op een verstekvonnis van 11 februari 2009 waarbij een vordering van haar voormalige vriend tot betaling van een bedrag van €15.383,55 werd toegewezen wegens heimelijke opnames en betalingen.
Het gerechtshof Arnhem bekrachtigde dit vonnis bij arrest van 8 september 2011. Het hof ging uit van de juistheid van het verstekvonnis omdat verzoekster geen rechtsmiddel had aangewend en oordeelde dat niet aannemelijk was dat verzoekster de omstandigheden die tot de schulden leidden volledig onder controle had, mede vanwege het recente ontstaan van de schulden en een nog te starten vervolgbehandeling voor haar psychische problemen.
In cassatie klaagde verzoekster onder meer dat het hof het verstekvonnis onjuist bindend had geacht en dat het hof een te beperkte uitleg had gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewijskracht van het verstekvonnis terecht als vrij had beschouwd en dat het oordeel van het hof over de goeder trouw en controle over de schulden niet onbegrijpelijk was. Het psychologisch rapport bood geen grondslag voor de stelling dat het toegewezen bedrag onjuist was of dat de ziektebeelden zich voordeden ten tijde van het ontstaan van de schuld.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro een discretionaire bevoegdheid geeft om schuldsanering toe te wijzen bij psychosociale problematiek indien aannemelijk is dat de schuldenaar de bepalende omstandigheden onder controle heeft. Het hof had dit terecht niet aangenomen vanwege het recente ontstaan van schulden en de nog te starten intensieve behandeling. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van goeder trouw en controle over de schulden.