ECLI:NL:PHR:2012:BU5651
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 10 Successiewet 1956 bij ik-opa testament en huwelijksgemeenschap
Deze zaak betreft de toepassing van artikel 10 van Pro de Successiewet 1956 op een zogenoemd ik-opa testament waarbij een vader, gehuwd in gemeenschap van goederen, een last heeft aanvaard om bedragen schuldig te erkennen aan zijn kinderen. De vraag was of de langstlevende echtgenote, die niet zelf partij was bij de rechtshandeling, toch als partij kan worden aangemerkt voor toepassing van artikel 10 SW Pro 1956.
De rechtbank oordeelde dat de echtgenote niet als partij kan worden beschouwd, ondanks de huwelijksgemeenschap, en verklaarde de beroepen van de belanghebbenden gegrond. Het hof stelde hiertegen dat de wettelijke regeling van de bestuursbevoegdheid binnen de gemeenschap van goederen meebrengt dat de echtgenote mede partij is bij de rechtshandeling, waardoor artikel 10 SW Pro 1956 ook op haar van toepassing is.
De Hoge Raad stelt dat de wettelijke regeling omtrent de bestuursbevoegdheid niet impliceert dat de niet-handelende echtgenoot partij is bij de rechtshandeling van de andere echtgenoot. De wetgever heeft deze inconsequentie erkend en artikel 10 SW Pro 1956 per 1 januari 2010 uitgebreid met de toevoeging dat ook de echtgenoot van de erflater partij kan zijn. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en bevestigt dat onder de oude wetgeving artikel 10 SW Pro 1956 niet van toepassing is op de langstlevende echtgenote in deze situatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de toepassing van artikel 10 SW 1956 op de langstlevende echtgenote wordt verworpen.