ECLI:NL:PHR:2012:BU5623
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging zakelijke samenwerking en verjaring geldvordering na kostentoerekening
In deze zaak vorderden eisers betaling van een bedrag na beëindiging van een zakelijke samenwerking tussen accountantskantoren en administratiekantoor. De samenwerking werd in 1996 beëindigd met een afspraak tot afrekening op basis van kostentoerekening. Eisers stelden dat sprake was van twee maatschappen en dat de vordering niet verjaard kon zijn vanwege voortdurende onverdeeldheid.
De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring, en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat het niet ging om een vordering tot verdeling van een gemeenschap, maar om nakoming van een overeenkomst. De verjaringstermijn van vijf jaar was dan ook van toepassing en was verstreken.
In cassatie werd onder meer betoogd dat het tweede lid van art. 3:307 BW Pro van toepassing zou zijn, waardoor verjaring niet kon intreden zolang een voorwaarde niet was vervuld. De Hoge Raad verwierp dit als een nieuwe stelling die niet in de eerdere procedure was aangevoerd. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalde omdat het hof dit gemotiveerd had afgewezen.
De Hoge Raad bevestigde dat de vordering opeisbaar was en dat de verjaringstermijn correct was toegepast. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vordering verjaard is en het arrest van het hof in stand blijft.