ECLI:NL:PHR:2012:BU5602
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van huurrecht bedrijfsruimte op aanhorigheid bij eigendom naastgelegen bedrijfsruimte
De zaak betreft een geschil over de vraag of een gehuurde ruimte, gebruikt als opslag- en magazijnruimte ten dienste van een naastgelegen bouwmarkt, moet worden aangemerkt als bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW Pro. De huurder, eigenaar van de bouwmarkt, huurt de opslagruimte van de Gemeente, die de verhuurder is geworden na aankoop van het pand.
De kantonrechter oordeelde in eerste aanleg dat de regels van art. 7:290 BW Pro van toepassing zijn, maar het hof kwam tot het oordeel dat dit niet het geval was omdat de huurder eigenaar was van de bouwmarkt en de opslagruimte niet huurde in samenhang met de bedrijfsruimte. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat het niet vereist is dat de huurder ook de naastgelegen bedrijfsruimte huurt; het is voldoende dat de verhuurder ermee instemt dat de gehuurde ruimte als aanhorigheid wordt gebruikt in samenhang met andere door de huurder gebruikte bedrijfsruimten.
De Hoge Raad benadrukt dat het belang van de huurder bij bescherming van de aanhorigheid niet afhangt van de eigendomstitel van de andere bedrijfsruimte. Ook de bezwaren van het hof tegen een te ruime toepassing van art. 7:290 BW Pro worden verworpen. De uitspraak opent de weg voor een ruimere toepassing van het huurrecht op bedrijfsruimte en aanhorigheden, mits er een nauwe fysieke en functionele relatie bestaat en een bestendige gebruikstitel voor de overige bedrijfsruimte aanwezig is.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat art. 7:290 BW ook van toepassing is op aanhorigheden bij eigendom van bedrijfsruimte, mits verhuurder instemt met gezamenlijk gebruik.