ECLI:NL:PHR:2012:BU5244
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring bedreiging en poging bedreiging met zware mishandeling
In deze zaak stond de vraag centraal of verzoeker zich schuldig had gemaakt aan bedreiging en poging tot bedreiging met zware mishandeling. Het hof had bewezen verklaard dat verzoeker op 6 maart 2007 een gerechtsdeurwaarder had bedreigd en daarnaast in de periode juni tot november 2007 een dreigende brief aan de politie had gezonden met bedreigingen jegens een derde.
Het bewijs bestond voornamelijk uit de verklaring van het slachtoffer, die het bedreigende gedrag en de woorden van verzoeker bevestigde, en de bekentenis van verzoeker zelf. Het hof achtte de verklaring van het slachtoffer voldoende ondersteund door de verklaring van verzoeker, waardoor het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv was gehaald.
Verzoeker voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte had bewezen verklaard dat sprake was van poging tot bedreiging, omdat het opzet ontbrak dat het slachtoffer van de brief op de hoogte zou raken. De Hoge Raad oordeelde dat door het verzenden van de brief aan de politie, verzoeker alles had gedaan wat nodig was om de bedreiging bekend te maken, en dat de kans dat het slachtoffer hiervan op de hoogte zou raken bewust werd aanvaard.
De Hoge Raad vond geen reden om het arrest van het hof te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Daarmee blijft de veroordeling van verzoeker in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor bedreiging en poging tot bedreiging met zware mishandeling blijft in stand.