1 Zie rov. 3, aanhef, van het tussenarrest van 28 april 2009. Het hof neemt een (verkort) feitenrelaas op onder rov. 4.1-4.2.
2 De p.-v.'s van deze verhoren zijn overgelegd als producties 9 t/m 12 bij dagvaarding in eerste aanleg.
3 In hoger beroep is de eis gewijzigd. Zie de MvG tevens houdende wijziging en vermindering van eis, p. 24.
4 HR 5 december 2003, LJN AK3701, NJ 2004/75.
5 Deze luidt: "Het voorkeursrecht is namelijk door de ondertekenaars van de akte van levering te hunnen behoeve opgenomen."
6 A-G Langemeijer, conclusie sub 2.8 voor HR 5 december 2003, LJN AK3701, NJ 2004/75; Stein/Rueb, Burgerlijk procesrecht, 2009, nr. 7.4.3; MvT, Parlementaire geschiedenis nieuwe bewijsrecht (1988), p. 142.
7 Pitlo/Hidma & Rutgers, Bewijs, 2004, nr. 56; Veegens/Wiemsa & Wiersma, Het nieuwe bewijsrecht in burgerlijke zaken, deel 2, 1988, nr. 39.
8 Zie A-G Langemeijer, conclusie sub 2.9 (waarin de verworpen opvatting wordt verwoord) en 2.13-2.15 voor HR 5 december 2003, LJN AK3701, NJ 2004/75. Sub 2.15 schrijft hij: "Ik zou om deze reden willen bepleiten dat de dwingende bewijskracht van de akte beperkt blijft tot degene die in de akte als wederpartij wordt aangewezen of te wiens behoeve, gelet op de tekst van de akte, de ondertekenaar geacht kan worden zich te hebben willen verbinden (en, uiteraard, hun erfopvolgers en rechtverkrijgenden)." Zie ik het goed, dan is dat dezelfde kring als door Uw Raad is bedoeld.
9 Veegens/Wiersma & Wiersma, a.w., nr. 42, p. 84.
10 Terzijde merk ik op dat Veegens/Wiermsa & Wiersma, a.w., nr. 41, p. 80, enige nuanceringen bespreken. Die vinden "hun verklaring in het materiële recht doordat daaruit volgt dat de rechtsopvolger niet in ieder opzicht in de schoenen van zijn voorganger is komen te staan."
11 In dit verband wijs ik nog op het door Veegens/Wiersma & Wiersma, a.w., nr. 42 op p. 88, besproken voorbeeld van de door de crediteur aan de borg uitgereikte ondertekende kwitantie. De dwingende bewijskracht van de betaling door de borg, die daaruit blijkt, zou volgens de auteurs ook kunnen worden ingeroepen tegen een mede-borg. Anders o.m. F.G. Scheltema en H.J. Scheltema, Nederlandsch burgerlijk bewijsrecht, 1934, p. 299. Het is echter de vraag of de opvatting in Veegens/Wiersma & Wiersma zich nog verdraagt met het arrest van 5 december 2003.
12 Nederlandsch burgerlijk bewijsrecht, 1934, p. 299. Aldaar wordt ook verwezen naar andersluidende opvattingen. Zie over het aldaar genoemde voorbeeld van de mede-vennoot Veegens/Wiersma & Wiersma, a.w., nr. 42, p. 48,
13 Schriftelijke repliek sub 1.1 (en noot 1).
14 Onderdeel 1.1, de s.t. zijdens [eiser] sub 2.18 en de schriftelijke repliek sub 1.1.
15 Niet alleen rechtsopvolgers. Vgl. Veegens/Wiersma & Wiersma, a.w., nr. 42.
16 Ik verwijs naar de bij noot 10 bedoelde nuancering.
17 Ik laat hierbij allerhande vertegenwoordigingsconstructies buiten beschouwing.
18 De voorkeursgerechtigden zouden bijvoorbeeld met deze bedoeling de leveringsakte mede hebben kunnen ondertekenen.
19 Schriftelijke repliek sub 1.2.
20 HR 22 oktober 2010, LJN BM8933, NJ 2011/111 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Lisser/Kamsteeg), rov. 4.2.3. Zie ook HR 5 januari 2001, LJN AA9314, NJ 2001/612 m.nt. W.D.H. Asser (Brooke/Overes q.q.) en HR 16 maart 2007, LJN AZ0613, NJ 2008/219 m.nt. C.J.M. Klaassen, JBPR 2007/57 m.nt. M. Ahsmann (Wooning/Wooning), rov. 3.4, waarin, iets korter geformuleerd, werd overwogen dat de akte dwingend bewijs oplevert van de waarheid van de verklaring.
21 Zie ook J.H.M. ter Haar & H.B. Krans, 'Debatteren over de inhoud van een notariële akte: drie invalshoeken', WPNR 6777 (2008), p. 910-917; T.F.E. Tjong Tjin Tai, 'Bewijs van de (inhoud van de) overeenkomst", NJB 2008, p. 812.
22 Vgl. A-G Huydecoper in zijn conclusie sub 11 voor en C.J.M. Klaasen in haar noot sub 2 onder HR 16 maart 2007, LJN AZ0613, NJ 2008/219 (Wooning/Wooning).
23 HR 16 maart 2007, LJN AZ0613, NJ 2008/219 m.nt. C.J.M. Klaassen, JBPR 2007/57 m.nt. M. Ahsmann (Wooning/Wooning).
24 Vgl. F.J.M. Verstijlen, noot sub 4 onder HR 22 oktober 2010, LJN BM8933, NJ 2011/111 (Lisser/Kamsteeg).
25 Vgl. het voorbeeld bij Asser-Anema-Verdam, 1953, p. 116: een huurcontract vermeldt als huurpijs 200, de huurder die stelt dat voor 100 is gehuurd dient dat te bewijzen.
26 Meer precies, zoals bij onderdeel 5 zal worden besproken, of [betrokkene 1] erop mocht vertrouwen dat [betrokkene 3 en 4] begrepen wat de formulering van het voorkeursrecht in de leveringsakte ("en/of") volgens de bedoeling van [betrokkene 1] inhield.
27 HR 22 oktober 2010, LJN BM8933, NJ 2011/111 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Lisser/Kamsteeg).
28 HR 5 januari 2001, LJN AA9314, NJ 2001/612 m.nt. W.D.H. Asser (Brooke/Overes q.q.); HR 16 maart 2007, LJN AZ0613, NJ 2008/219 m.nt. C.J.M. Klaassen, JBPR 2007/57 m.nt. M. Ahsmann (Wooning/Wooning). Vgl. over de vraag of de rechter terughoudend gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid om aan te nemen dat tegenbewijs is geleverd tegen de inhoud van een notariële akte C.J.M. Klaassen, noot sub 4, en M. Ahsmann, noot sub 10 onder het eerder genoemde arrest Wooning/Wooning alsmede J.H.M. ter Haar & H.B. Krans, a.w., p. 912, r.k., 913, r.k. en 916, l.k.
29 De vraag of tegenbewijs bewijsrisico inhoudt, is in deze zaak niet aan de orde. Ik laat die vraag daarom rusten. Zie daarover uitgebreid M. Ahsmann in haar noot sub 8-9 onder HR 16 maart 2007, LJN AZ0613, JBPR 2007/57 (Wooning/Wooning) in reactie op W.D.H. Asser in zijn noot sub 8 onder HR 5 januari 2001, LJN AA9314, NJ 2001/612 (Brooke/Overes q.q.).
30 De s.t. zijdens [verweerster] sub 2.10 signaleert dit ook, maar acht juist het oordeel in rov. 4.5 niet essentieel.
31 Aldus de s.t. sub 3.13 zijdens [eiser].
32 De in de s.t. onder 3.12 bedoelde stellingen sub (i), sub (ii) en sub (iii) t/m (vi) komen terug in de weergave van de stellingen van [eiser] in rov. 4.8 respectievelijk sub (i), sub (iv) en sub (ii)/(iii).
33 Vgl. echter het gesteld in de schriftelijke repliek sub 2.
34 Zie bijvoorbeeld HR 3 september 2010, LJN BM6085, NJ 2011/5 m.nt. L.C.A. Verstappen.
35 Zie bijvoorbeeld HR 9 december 1994, LJN ZC1574, NJ 1995/197. Vgl. T.F.E. Tjong Tjin Tai, 'Bewijs van de (inhoud van de) overeenkomst', NJB 2008, p. 813-814.
36 Het hof doelt hiermee ook op mevrouw Van Tienhoven-de Man.
37 HR 16 maart 2007, LJN AZ0613, RvdW 2007/305, NJ 2008/219 m.nt. C.J.M. Klaassen (Wooning/Wooning).