ECLI:NL:PHR:2012:BT7448
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Navordering vennootschapsbelasting wegens strijdig handelen met vaststellingsovereenkomst inzake vaste inrichting Duitsland
Belanghebbende, een vennootschap, sloot met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst over de vennootschapsbelasting over de jaren 1990-1994, waarin werd vastgesteld dat zij een vaste inrichting had in Duitsland. Later betwistte belanghebbende voor de Duitse rechter het bestaan van deze vaste inrichting, wat leidde tot een heffingsvacuüm voor de jaren 1990, 1991 en 1993. De Belastingdienst legde daarop een navorderingsaanslag op wegens strijdig handelen met de overeenkomst.
De rechtbank en het hof oordeelden aanvankelijk dat belanghebbende de overeenkomst niet schond, mede omdat de Duitse rechter het bestaan van de vaste inrichting voor 1992 bevestigde en de overeenkomst taalkundig duidelijk was. De staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad benadrukt dat bij uitleg van de vaststellingsovereenkomst niet alleen de letterlijke tekst, maar ook de eisen van redelijkheid en billijkheid een rol spelen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het betwisten van de vaste inrichting in Duitsland niet in strijd zou zijn met de overeenkomst en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling, waarbij ook de gemeenschappelijke bedoeling van partijen en het heffingsvacuüm betrokken moeten worden.
Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat de navorderingstermijn van vijf jaar geldt, omdat de Nederlandse fiscus bekend was met de Duitse winst en er geen sprake is van in het buitenland gehouden inkomensbestanddelen die buiten het zicht van de fiscus zijn gebleven.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling omtrent strijdig handelen met de vaststellingsovereenkomst.