ECLI:NL:PHR:2012:BQ9214
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over privatiserings- en groepsverbod netbeheerders en vrije kapitaalverkeer
In deze zaak staat centraal of het absolute privatiseringsverbod en het groepsverbod, opgenomen in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, verenigbaar zijn met het vrije verkeer van kapitaal zoals gewaarborgd in art. 63 VWEU Pro. Het privatiseringsverbod houdt in dat aandelen in netbeheerders uitsluitend binnen de kring van de overheid mogen blijven, terwijl het groepsverbod een splitsing voorschrijft tussen netbeheer en commerciële energieactiviteiten.
De Hoge Raad benadrukt dat het privatiseringsverbod een wettelijke regeling betreft die privatisering volledig uitsluit en dat dit onder art. 345 VWEU Pro valt, waardoor lidstaten de vrijheid behouden om te bepalen of zij privatiseren. Het groepsverbod valt niet onder deze uitzondering en kan een beperking van het vrije kapitaalverkeer vormen. De Staat voert aan dat het groepsverbod gerechtvaardigd is vanwege belangen als leveringszekerheid, transparantie op de energiemarkt en bescherming van consumenten.
Het hof heeft geoordeeld dat het privatiseringsverbod niet onder art. 345 VWEU Pro valt en dat het groepsverbod een gerechtvaardigde beperking vormt. De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van art. 345 VWEU Pro en de rechtvaardiging van dergelijke beperkingen. Tevens wordt besproken of belangen als transparantie en concurrentieverstoring als niet-economische belangen kunnen gelden.
De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de verhouding tussen nationale wetgeving en EU-recht, de reikwijdte van het vrije kapitaalverkeer, en de mate van beoordelingsvrijheid van lidstaten bij regulering van vitale infrastructuren zoals netbeheerders.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het absolute privatiseringsverbod en verwijst prejudiciële vragen aan het HvJ EU over de verhouding tussen art. 345 en art. 63 VWEU en de rechtvaardiging van het groepsverbod.