ECLI:NL:PHR:2011:BU8233
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het begrip soort aandelen binnen het aanmerkelijk belangregime
Belanghebbende was houder van aandelen A en B in het kapitaal van vennootschap A. Na statutenwijziging in 1999 werden deze aandelen gesplitst in gewone aandelen A en converteerbare niet-cumulatief preferente aandelen B. Belanghebbende vervreemde deze aandelen in 2000 en nam het vervreemdingsvoordeel niet op in zijn belastingaangifte.
De Inspecteur stelde dat aandelen A en B verschillende soorten vormen in de zin van artikel 20a, derde lid, Wet IB 1964, waardoor sprake was van een soort aanmerkelijk belang. Rechtbank en Hof oordeelden echter dat de aandelen A en B één soort vormen, omdat zij gelijkluidende winstrechten hebben en de verschillen in stemrecht en agio niet leiden tot verschillende soorten.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof. De Hoge Raad concludeert dat het verschil in stemrecht een niet-vermogensrechtelijk verschil is en onder de uitzondering valt, zodat aandelen A en B op dat punt tot één soort behoren. Vermogensrechtelijke verschillen zoals preferentie bij liquidatie en verjaring van dividendvorderingen kunnen wel leiden tot verschillende soorten, ook als die omstandigheden zich nog niet hebben voorgedaan.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling van de nog openstaande geschilpunten. De zaak biedt een uitgebreide analyse van het begrip soort aandelen binnen het aanmerkelijk belangregime en benadrukt het belang van de economische gerechtigdheid tot winst en reserves als criterium.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, waarbij wordt vastgesteld dat aandelen A en B verschillende soorten kunnen vormen vanwege vermogensrechtelijke verschillen.