ECLI:NL:PHR:2011:BU4032

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01579
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 407 lid 2 RvArt. 2 Wet op de loonbelasting 1964Art. 6 Wet op de loonbelasting 1964Art. 10 Wet op de loonbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over loonbelastingbetaling en dubbele heffing

In deze zaak heeft eiseres cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof Den Bosch van 13 oktober 2009, waarin het hof het vonnis van de rechtbank Zwolle heeft bekrachtigd. Het geschil betreft de vraag of betrokkene 1 de aan VDC opgelegde onherroepelijke naheffingsaanslag loonbelasting over de jaren 1991 en 1992 heeft voldaan.

Eiseres stelde dat zij met ampel bewijsmateriaal had aangetoond dat betrokkene 1 de loonbetalingen en daarmee samenhangende afdrachten loonheffing heeft verricht in de jaren 1995 tot en met 1999. Het hof oordeelde echter dat eiseres niet is geslaagd in het bewijs van deze betalingen en dat ook geen sprake was van een eigen verplichting van betrokkene 1 tot afdracht van loonheffing.

De middelen van eiseres klaagden onder meer over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof, schending van bepalingen uit de Wet op de loonbelasting 1964, en een vermeende verkeerde uitleg van het loonbegrip. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet voldoen aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro, onvoldoende gemotiveerd zijn en dat het hof het recht niet heeft geschonden.

De Hoge Raad bevestigt dat geen sprake is van dubbele heffing en dat het cassatieberoep kan worden verworpen zonder nadere beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

Zaaknr. 10/01579
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 2 september 2011
Conclusie inzake:
[Eiseres]
tegen
De Ontvanger van de Belastingdienst/Rivierenland
Deze zaak, een vervolg op HR 8 juli 2005, LJN AT4073, leent zich voor een verkorte conclusie(1).
1.1 Voor zover van belang heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4 van het arrest van 8 juli 2005 met betrekking tot middel III overwogen dat het oordeel van het gerechtshof te Arnhem in zijn arrest van 16 december 2003 dat (onder meer) eiseres tot cassatie, [eiseres], niet heeft gesteld en evenmin te bewijzen heeft aangeboden dat [betrokkene 1] de door VDC ingehouden, althans de door VDC te betalen loonbelasting heeft voldaan, onbegrijpelijk is in het licht van de door [eiseres] ingenomen stellingen. Dientengevolge heeft de Hoge Raad het arrest van 16 december 2003 - uitsluitend(2) - op dat punt vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
1.2 Bij arrest van 13 oktober 2009 heeft laatstgenoemd hof het vonnis van de rechtbank Zwolle van 13 december 2000, gewezen tussen verweerder in cassatie, de Ontvanger, en [eiseres], voor zover dit vonnis aan het oordeel van het hof was onderworpen, onder aanvulling en verbetering van gronden bekrachtigd.
1.3 Van het arrest van 13 oktober 2009 is [eiseres] - tijdig(3) - in cassatie gekomen.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
Vervolgens hebben partijen hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna [eiseres] heeft gerepliceerd.
1.4 Het cassatieberoep bevat zes middelen.
Middel I is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.4.1 en 4.4.3 en klaagt dat het oordeel van het hof dat [eiseres] niet is geslaagd in het bewijs dat [betrokkene 1] de aan VDC opgelegde onherroepelijke naheffingsaanslag van 27 januari 1995 loonbelasting over de jaren 1991 en 1992 heeft betaald, onbegrijpelijk is in het licht van het door [eiseres] in het geding na verwijzing overgelegde ampele bewijsmateriaal. Althans is volgens het middel onbegrijpelijk het oordeel dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat de loonbetalingen betreffende de jaren 1991 en 1992 en de daarmee samenhangende afdrachten loonheffing door [betrokkene 1] hebben plaatsgevonden in de jaren 1995 tot en met 1999.
1.5 Het middel voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. nu het op geen enkele wijze duidelijk maakt waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de door [eiseres] in het geding gebrachte stukken(4).
1.6 In zijn schriftelijke toelichting formuleert mr. Van Lookeren Campagne een nieuwe klacht, te weten dat het hof in het door [eiseres] overgelegde bewijsmateriaal aanleiding had moeten vinden om de Ontvanger "op te dragen" tegenbewijs te leveren(5). Deze klacht, wat daar ook van zij, is echter tardief en behoeft zodoende geen bespreking.
1.7 De middelen II en III klagen dat het hof een verkeerde toepassing heeft gegeven aan art. 104 van Pro de Grondwet dan wel aan "het dwingendrechtelijke karakter van het belastingrecht", doordat het in strijd daarmee heeft geoordeeld dat een dubbele heffing in stand moet blijven. Aan de rechtsklachten worden (niet nader toegelichte) motiveringsklachten toegevoegd.
1.8 De middelen falen omdat (i) zij niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. nu zij niet vermelden tegen welke rechtsoverweging(en) zij zich richten. De rechtsklachten falen daarnaast (ii) omdat zij niet verduidelijken waarom het hof door zijn beslissing het recht heeft geschonden(6). De motiveringsklachten falen (iii) omdat zij niet met bepaaldheid en precisie aangeven waarom het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd dan wel waarom dat oordeel onbegrijpelijk is.
Daarnaast falen de klachten (iv) bij gebrek aan feitelijke grondslag aangezien het hof niet heeft geoordeeld dat een dubbele heffing in stand moet blijven. Integendeel, het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] niet is geslaagd in het bewijs dat [betrokkene 1] de aan VDC opgelegde onherroepelijke naheffingsaanslag loonbelasting over de jaren 1991 en 1992 ten behoeve van VDC heeft betaald.
1.9 De middelen IV en V zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.4.1 dat de Ontvanger terecht stelt dat, ook al zou uit de overgelegde administratie van [betrokkene 1] kunnen worden afgeleid dat [betrokkene 1] met terugwerkende kracht de werkgeversverplichtingen jegens [eiseres] over het tijdvak 1991-1992 van VDC heeft overgenomen, dat zij de loonvorderingen alsnog aan [eiseres] heeft voldaan en de aangiften heeft ingediend, dan wel dat [betrokkene 1] steeds de - enige - werkgeefster van [eiseres] was, dit zou hebben geleid tot een eigen verplichting tot afdracht van loonheffing voor [betrokkene 1].
De middelen klagen dat het hof met dit oordeel het recht heeft geschonden, en specifiek de artikelen 2 en 6 van de Wet op de loonbelasting 1964.
Middel VI klaagt dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.4.1 e.v. het recht heeft geschonden en specifiek art. 10 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964, doordat het daarin uitgaat van een fout loonbegrip, althans een verkeerde uitleg geeft aan dat begrip.
Aan de rechtsklachten worden (niet nader toegelichte) motiveringsklachten toegevoegd.
1.10 Ook deze middelen voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. nu zij niet verduidelijken waarom het bestreden oordeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is.
1.11 Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie voor een weergave van de vaststaande feiten rov. 3.1 van het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2005 in verbinding met de alinea's 1.1-1.14 van mijn conclusie vóór dat arrest. Voor een overzicht van het procesverloop tot aan het wijzen van het arrest verwijs ik naar de rov. 1 en 2 van het arrest. Zie voor het procesverloop na verwijzing rov. 2 van het bestreden arrest van het hof Den Bosch van 13 oktober 2009.
2 In rechtsoverweging 3.2 heeft de Hoge Raad overwogen dat de in middelen I en II aangevoerde klachten falen.
3 De cassatiedagvaarding is op 11 januari 2010 uitgebracht.
4 Zie HR 5 november 2010, LJN BN6196 (RvdW 2010, 1328; JBPr 2011, 6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes).
5 S.t., p. 14, tweede alinea.
6 Zie voetnoot 4.