ECLI:NL:PHR:2011:BT8777
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Winstoverheveling aan Zwitserse zustervennootschap en toepassing cost-plus methode
De zaak betreft navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd aan Beheersmaatschappij X B.V. voor de jaren 1996 tot en met 1999. De Inspecteur stelde dat winst die werd verantwoord bij de Zwitserse zustervennootschap L AG in werkelijkheid toe te rekenen was aan belanghebbende, omdat de activiteiten feitelijk door een werknemer van belanghebbende werden verricht en de winstoverheveling niet op zakelijke gronden berustte.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de winst uit de handel in papier, hoewel formeel geboekt bij L AG, als resultaat van belanghebbende moet worden aangemerkt. L AG verrichtte slechts beperkte administratieve werkzaamheden waarvoor een zakelijke vergoeding op basis van een cost-plus van 15% passend was. De winsttoerekening aan L AG was ingegeven door het belastingvoordeel van de aandeelhouder.
In cassatie bevestigt de Hoge Raad dat de winsttoerekening aan belanghebbende een wettelijke grondslag heeft in artikel 8 Wet Pro Vpb 1969 en artikel 7 Wet Pro IB 1964, en dat de toerekening geen schijnhandeling betreft. De Hoge Raad onderschrijft de redelijkheid van de toegepaste cost-plus methode en de afwijzing van factoringkosten en verzekering als grondslag voor de winstopslag. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de winst wordt fiscaal toegerekend aan belanghebbende met een zakelijke vergoeding van 15% op de kosten van L AG.