ECLI:NL:PHR:2011:BT8449
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over draagkrachtverweer bij alimentatie en devolutieve werking hoger beroep
De zaak betreft een alimentatiegeschil tussen een man en een vrouw na hun echtscheiding. De vrouw vorderde kinderalimentatie en partneralimentatie, waarbij de man een draagkrachtverweer voerde. De rechtbank wees partneralimentatie af vanwege onvoldoende draagkracht, maar stelde kinderalimentatie vast. In hoger beroep stelde het hof de partneralimentatie vast op een aanzienlijk hoger bedrag, uitgaande van een verdiencapaciteit van de man van €120.000 per jaar.
De man stelde in cassatie dat het hof ten onrechte oordeelde dat hij geen incidenteel hoger beroep hoefde in te stellen tegen de overweging van de rechtbank over zijn verdiencapaciteit. De Hoge Raad oordeelde dat het hof miskende dat de man zijn draagkrachtverweer in hoger beroep mocht voortzetten zonder incidenteel appel te hoeven instellen tegen de overwegingen van de rechtbank die niet in het dictum waren opgenomen.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad het oordeel van het hof over de hypotheekrente en de verkoop van de voormalige echtelijke woning, waarbij het hof het boetebeding in de verkoopakte als voldoende dekking zag voor de hypotheeklasten en deze niet ten laste van de draagkracht van de man hoefde te komen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit oordeel niet hoefde te herzien, maar dat de draagkracht van de man alsnog inhoudelijk moet worden beoordeeld.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling, waarbij het hof ook de vraag moet beantwoorden over het inkomen van de man als dagelijks bestuurslid van het MKB en de periode waarin dit inkomen mogelijk is weggevallen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man.