ECLI:NL:PHR:2011:BT7502

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04188
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 7:296 BWArt. 6:2 BWArt. 6:248 BWArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bepaalt nieuwe einddatum huurovereenkomst bedrijfsruimte

Het cassatieberoep van de huurders tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, dat het vonnis van de rechtbank Utrecht bevestigde over het tijdstip waarop de huurovereenkomst van een bedrijfsruimte eindigt, werd verworpen. Het hof had de einddatum van de huurovereenkomst nader vastgesteld en dit oordeel werd niet onrechtmatig bevonden.

De middelen in het cassatieberoep voldeden niet aan de vereisten van artikel 407 lid 2 Rv Pro, omdat zij niet duidelijk maakten waarom het hof in strijd met het recht zou hebben geoordeeld. De Hoge Raad benadrukte dat rechtsklachten met precisie moeten aangeven welke beslissing onjuist is en waarom het recht is geschonden. Dit was in deze zaak niet het geval.

Hoewel het cassatieberoep werd verworpen, stelde de Hoge Raad vast dat de door het hof bepaalde einddatum inmiddels was verstreken en dat daarom een nieuwe datum voor het einde van de huurovereenkomst en de ontruiming moest worden vastgesteld. De Hoge Raad bepaalde deze nieuwe datum zelf.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep moest worden verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro, en de Hoge Raad volgde dit advies. Het arrest van het hof bleef in stand, met dien verstande dat de einddatum werd aangepast.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de Hoge Raad stelde een nieuwe datum vast voor het einde van de huurovereenkomst en ontruiming.

Conclusie

10/04188
Mr L. Strikwerda
Zt. 7 okt. 2011
conclusie inzake
1. [Eiser 1]
2. [Eiseres 2]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door eisers tot cassatie, hierna: [eiser] c.s., ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 11 mei 2010. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [eiser] c.s. het vonnis van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort, van 19 november 2008, waarbij op vordering van thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], het tijdstip is vastgesteld waarop de huurovereenkomst tussen [verweerster] als verhuurder en [eiser] c.s. als huurders betreffende bedrijfsruimte gelegen te Bunschoten-Spakenburg eindigt, heeft bekrachtigd, met dien verstande dat het hof de dag waarop de huurovereenkomst eindigt, nader heeft vastgesteld.
2. Het cassatieberoep berust op negen middelen die door [verweerster] zijn bestreden met conclusie primair tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] c.s. in hun cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van het cassatieberoep.
3. De voorgestelde middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden, omdat zij niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. Het cassatieberoep leent zich daarom voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
4. De middelen klagen dat de telkens aangehaalde rechtsoverwegingen van het hof in strijd zijn met het Nederlandse recht, meer bepaald met art. 7:296 BW Pro dan wel met art. 6:2 en Pro art. 6:248 BW Pro. De middelen geven echter in het geheel niet aan waarom de bestreden rechtsoverwegingen in strijd zijn met de genoemde wetsbepalingen.
5. Volgens vaste rechtspraak dient een cassatiemiddel, dat moet zijn opgenomen in de cassatiedagvaarding, te vermelden tegen welke oordelen het is gericht en waarom door de bestreden oordelen het recht is geschonden en/of deze oordelen niet genoegzaam zijn gemotiveerd. Een rechtsklacht dient met bepaaldheid en precisie in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering, indien het een rechtsklacht betreft en - zo nodig mede uit de gedingstukken - zonder meer duidelijk is waarin volgens de steller van het middel de onjuistheid van de bestreden rechtsopvatting is gelegen, dan wel indien de wederpartij op basis van de in het middel (en eventueel de daarop in de schriftelijke toelichting gegeven verduidelijking) vervatte rechts- en/of motiveringsklachten de rechtsstrijd in cassatie heeft aanvaard (zie HR 5 november 2010, LJN BN6169, RvdW 2010, 1328, JBPr 2011, 6 nt. R.P.J.L. Tjittes).
6. Slechts indien zonder meer duidelijk is waarom door het bestreden oordeel een bepaalde rechtsregel is geschonden, behoeft het middel niet nader toe te lichten waaruit die schending bestaat. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van, reeds omdat de bestreden oordelen telkens van deels juridische en deels feitelijke aard zijn. Hieraan kan niet afdoen dat [eiser] c.s. bij hun schriftelijke toelichting hebben uiteengezet waarom de bestreden oordelen in strijd zijn met de genoemde wetsbepalingen, aangezien [verweerster] uitbreiding van de rechtsstrijd op deze basis niet heeft aanvaard (dupliek onder 5). Zie HR 19 februari 1999, LJN ZC2856, NJ 1999, 428 nt. ARB. Zie voorts Asser Procesrecht/Veegens- Korthals Altes-Groen (2005), nr. 143.
7. Dit een en ander leidt tot de conclusie dat het cassatieberoep verworpen dient te worden en dat het bestreden arrest in stand blijft. Wel zal, nu de datum waarop het hof het einde van de huurovereenkomst had bepaald is verstreken, een nieuwe datum door de Hoge Raad moeten worden vastgesteld.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro en verdere afdoening als hierboven onder 7 is aangegeven.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden.