ECLI:NL:PHR:2011:BT7382
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot verlenging alimentatietermijn wegens eerdere onherroepelijke beslissing
Partijen zijn in 1976 gehuwd en in 1993 gescheiden. De man was verplicht partneralimentatie te betalen aan de vrouw voor een wettelijke termijn van twaalf jaar, ingaande na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De vrouw verzocht de alimentatietermijn te verlengen tot vijftien jaar, stellende dat het hier een 'oud geval' betrof met een langere termijn. Zowel rechtbank als hof wezen dit verzoek af en verklaarden haar niet-ontvankelijk in latere procedures.
De vrouw stelde in cassatie dat alimentatiebeschikkingen geen gezag van gewijsde toekwam en dat artikel 236 Rv Pro niet analoog van toepassing was op verzoekschriftprocedures. De Hoge Raad verwierp deze klachten, verwijzend naar eerdere rechtspraak waarin is bevestigd dat alimentatiebeschikkingen wel gezag van gewijsde hebben, zij het beperkt door wijzigingsmogelijkheden.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht oordeelde dat over de alimentatietermijn reeds onherroepelijk was beslist en dat de vrouw niet-ontvankelijk verklaard moest worden omdat het verzoek dezelfde rechtsbetrekking betrof. De mogelijkheid tot herroeping op grond van artikel 391 juncto Pro 382 en 383 Rv was niet benut. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen wegens niet-ontvankelijkheid in haar verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn.