ECLI:NL:PHR:2011:BT7203
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herstel van dagvaarding tegen niet-bestaande rechtsdag in cassatieprocedure
In deze cassatiezaak stond centraal of een dagvaarding die was uitgebracht tegen een datum waarop geen civiele rolzitting plaatsvond, hersteld kon worden door een herstelexploot die vóór die oorspronkelijke datum werd uitgebracht. De oorspronkelijke dagvaarding riep de verweerster op tegen een niet-bestaande rechtsdag, wat geen nietigheid oplevert, maar wel een gebrek dat herstel behoeft.
De Procureur-Generaal stelde dat dit herstel mogelijk is op grond van artikel 125 lid 4 Rv Pro, ook al is het strikt genomen geen herstelexploot in de zin van artikel 120 lid 2 Rv Pro. Dit onderscheid is van belang omdat het eerdere arrest NJ 2010, 129 een andere situatie betrof waarin de oorspronkelijke dagvaarding wel geldig was, maar de rechtsdag werd gewijzigd.
De conclusie is dat het probleem van de niet-bestaande rechtsdag geen beletsel vormt voor verstekverlening, mits het herstel tijdig plaatsvindt. Tevens wordt benadrukt dat het accepteren van deze verfijning weliswaar een extra uitzondering toevoegt aan het complexe stelsel van regels, maar dat dit gerechtvaardigd is om te voorkomen dat de eiser tot cassatie met een dode mus wordt geconfronteerd.
De zaak werd aangehouden voor conclusie op het verzoek om verstek, waarbij de conclusie luidde dat verstek moet worden verleend. Hiermee wordt duidelijk dat het cassatieberoep ontvankelijk is ondanks het aanvankelijke gebrek in de dagvaarding.
Uitkomst: Verstek wordt verleend ondanks aanvankelijke dagvaarding tegen niet-bestaande rechtsdag door tijdig herstelexploot.