ECLI:NL:PHR:2011:BT2703

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01849
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 InsolventieverordeningArt. 4 lid 4 FaillissementswetArt. 2 lid 2 FaillissementswetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij faillissement natuurlijke persoon volgens Insolventieverordening

Deze zaak betreft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de Insolventieverordening (EG) nr. 1346/2000 in een faillissementsprocedure van een natuurlijke persoon. De verzoeker stelde dat zijn woon- en verblijfplaats in Antwerpen was, en dat de Nederlandse rechter daarom niet bevoegd was.

Het hof te Leeuwarden had de faillissementsverklaring en het ongegrond verklaren van verzet van de verzoeker bekrachtigd. De verzoeker stelde in cassatie dat de bewijslast voor de woonplaats bij de aanvrager van het faillissement ligt en dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de woonplaats in Nederland was.

De Hoge Raad oordeelde dat krachtens de Insolventieverordening de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen bevoegd zijn. De wetgeving hanteert een aanvrager-vriendelijk regime waarbij de verzoeker voldoende gegevens moet verstrekken voor de beoordeling van de rechtsmacht, maar de bewijslast voor het centrum van de belangen bij de verwerende schuldenaar ligt.

De curator had voldoende gegevens verstrekt dat het centrum van de belangen in Nederland was, onder meer door het beheer van zakelijke belangen in Nederland en het ontbreken van een nieuw adres in België. De klachten van de verzoeker over de bewijswaardering en het niet voldoen aan de stelplicht faalden daarom. Ook de klacht over de belastingaanslagen werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de Nederlandse rechter is bevoegd voor de faillissementsprocedure.

Conclusie

11/01849
Mr. P. Vlas
Zitting, 23 september 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
mr. R.S. van der Spek q.q.,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.
(hierna: de curator)
1. In de kern genomen heeft deze zaak(1) betrekking op de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter krachtens art. 3 lid 1 Verordening Pro (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: de Insolventieverordening). De zaak komt naar mijn mening in aanmerking voor toepassing van art. 81 RO Pro, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. Verzoeker in cassatie (hierna: [verzoeker]) heeft tijdig(2) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 14 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden. In dit arrest heeft het hof de vonnissen van de rechtbank Leeuwarden van 1 en 25 februari 2011 bekrachtigd, waarbij [verzoeker], zonder te zijn gehoord, in staat van faillissement is verklaard respectievelijk het daartegen gerichte verzet ongegrond is verklaard.
3. Het cassatieberoep berust op twee middelen. De curator heeft de voorgestelde middelen bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen, alsmede mr. W.M. Sturms, handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker], hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten.
4. Middel 1 keert zich tegen rov. 6 t/m 8 van het arrest van het hof, waarin - kort gezegd - de woon- of verblijfplaats van [verzoeker] en diens zakelijke belangen ter sprake zijn gekomen. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het hof heeft miskend dat op de partij die verzoekt om faillietverklaring de last rust te bewijzen, althans aannemelijk te maken waar de woonplaats van de betrokkene is. In de toelichting op dit middel wordt de stelling betrokken dat in het inleidend verzoekschrift in het midden is gelaten waar [verzoeker] woont, waardoor niet is voldaan aan de op de verzoeker tot faillietverklaring rustende stelplicht.
5. Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting over de stelplicht en bewijslast van een aanvrager van een faillissement op de voet van art. 3 lid Pro 1 Insolventieverordening. Krachtens deze bepaling zijn de rechters van de lidstaat waar het 'centrum van de voornaamste belangen' van de schuldenaar gelegen is, bevoegd de insolventieprocedure te openen. Op grond van art. 4 lid 4 Fw Pro dient het verzoek tot faillietverklaring zodanige gegevens te bevatten dat de rechter kan beoordelen of hem rechtsmacht toekomt op grond van de verordening. De te verstrekken gegevens kunnen, zeker als het centrum van de voornaamste belangen zich in Nederland bevindt, beknopt zijn. Bij natuurlijke personen valt daarbij in beginsel te denken aan de woonplaats dan wel, indien die daarvan afwijkt, de gewone verblijfplaats.(3) De Insolventieverordening bevat aldus een 'aanvrager-vriendelijk' regime met als procesrechtelijke consequentie dat, indien de verwerende schuldenaar meent dat het centrum van de voornaamste belangen elders is gelegen, het aan hem is om dat te bewijzen.(4)
6. Overigens mist de klacht ook feitelijke grondslag, nu de curator in zijn inleidend verzoekschrift voldoende gegevens heeft opgenomen ter beoordeling van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om de insolventieprocedure te openen. Zo heeft de curator in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat [verzoeker] tot 5 maart 2010 stond ingeschreven in het Belgische bevolkingsregister te Antwerpen, waarna hij uit dat register is geschrapt en tot op heden geen nieuw adres heeft opgegeven (nr. 1). Daarnaast heeft de curator gesteld dat het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] als bedoeld in art. 3 lid Pro 1 Insolventieverordening zich in Nederland bevindt. De curator heeft dit aldus toegelicht dat [verzoeker] belangen heeft in een of meerdere in Nederland gevestigde vennootschappen en dat hij het beheer van zijn zakelijke belangen in Nederland is blijven voeren.(5) Verder heeft de curator aangevoerd dat de laatste woonplaats van [verzoeker] in Nederland was, zodat de rechtbank te Leeuwarden op grond van art. 2 lid 2 Fw Pro ook de bevoegdheid toekomt van het verzoek kennis te nemen (nr. 6). In zijn pleitaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft de curator zijn stellingen in zijn inleidend verzoekschrift nader onderbouwd en uitgewerkt.
7. Het eerste middel voert daarnaast een reeks motiveringsklachten aan tegen de bewijswaardering van het hof in rov. 7 en 8. Deze klachten dienen alle te falen. De beantwoording van de vraag waar een schuldenaar zijn (laatste) woon- en verblijfplaats heeft en het beheer van diens zakelijke belangen voert is immers zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat de juistheid daarvan niet in cassatie kan worden onderzocht. In rov. 7 en 8 heeft het hof bovendien op toereikende en niet onbegrijpelijke gronden gemotiveerd waarom de grieven van [verzoeker] dat hij niet woonachtig is in Nederland, maar in Antwerpen, en ook geen belangen heeft in Nederland, niet opgaan.(6)
Tot slot moet ook in cassatie worden geconstateerd dat, gelijk het hof in rov. 6 heeft gedaan, de toelichting op het eerste middel louter een herhaling van het debat in eerste aanleg bevat, dat overigens ook niet aansluit bij de motiveringsklachten van het middel.
8. Middel 2 is gericht tegen rov. 9 en 10 van het arrest van het hof, waarin het hof heeft overwogen dat de onbetaald gelaten belastingaanslagen summierlijk zijn vast komen te staan en als steunvordering kunnen dienen, ook wanneer daartegen een bezwaarschrift is ingediend. Het middel klaagt dat de overweging van het hof onbegrijpelijk is, omdat [verzoeker] onweersproken heeft gesteld dat alle bezwaarschriften tegen belastingaanslagen waarop is beslist gegrond zijn verklaard.
9. In de pleitnotities in hoger beroep (onder nr. 19) is zijdens [verzoeker] gesteld dat tegen de bekende aanslagen van de fiscus is opgekomen, dat voor zover is beslist, de aanslagen op nihil zijn gesteld en dat geen bezwaren ongegrond zijn verklaard. Wat er ook zij van de hierop niet geheel aansluitende overweging van het hof dat [verzoeker] heeft aangegeven dat hij tot op heden geen beslissing op de bezwaarschriften heeft ontvangen, moet worden geconstateerd dat [verzoeker] zijn stelling in hoger beroep niet voldoende en met bescheiden heeft onderbouwd, zodat het hof reeds op die grond aan deze stelling van [verzoeker] voorbij kon gaan. De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.
10. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 De advocaat van verzoeker in cassatie heeft zijn dossier niet gefourneerd, zodat de zaak moet worden afgedaan op het door de advocaat van verweerder gefourneerde dossier.
2 Het verzoekschrift is op 18 april 2011 per fax ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, derhalve binnen de ingevolge art. 12 Fw Pro geldende termijn van acht dagen.
3 Kamerstukken II, Nota naar aanleiding van het verslag, vergaderjaar 2002-2003, 28 654 (Uitvoeringswet EG-insolventieverordening), nr. 5, p. 6.
4 A.J. Berends, Insolventie in het international privaatrecht, 2005, p. 295-296. Zie over het begrip 'centrum van de voornaamste belangen' van een natuurlijk persoon in de zin van art. 3 lid Pro 1 Insolventieverordening ook HR 9 januari 2004, LJN: AN7896, NJ 2006/308, waarin is beslist dat noch uit de tekst van de Insolventieverordening noch uit de considerans daarvan volgt dat ten aanzien van natuurlijke personen de gewone verblijfplaats als centrum van de voornaamste belangen heeft te gelden of dat een voor tegenbewijs vatbaar vermoeden geldt dat dit zo is.
5 Vgl. HR 9 januari 2004, LJN: AN7896, NJ 2006/308.
6 Vgl. HR 7 september 2001, LJN: AB2743, NJ 2001/550 en HR 26 augustus 2003, LJN: AI0371, NJ 2003/693.