ECLI:NL:PHR:2011:BT2703
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij faillissement natuurlijke persoon volgens Insolventieverordening
Deze zaak betreft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de Insolventieverordening (EG) nr. 1346/2000 in een faillissementsprocedure van een natuurlijke persoon. De verzoeker stelde dat zijn woon- en verblijfplaats in Antwerpen was, en dat de Nederlandse rechter daarom niet bevoegd was.
Het hof te Leeuwarden had de faillissementsverklaring en het ongegrond verklaren van verzet van de verzoeker bekrachtigd. De verzoeker stelde in cassatie dat de bewijslast voor de woonplaats bij de aanvrager van het faillissement ligt en dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de woonplaats in Nederland was.
De Hoge Raad oordeelde dat krachtens de Insolventieverordening de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen bevoegd zijn. De wetgeving hanteert een aanvrager-vriendelijk regime waarbij de verzoeker voldoende gegevens moet verstrekken voor de beoordeling van de rechtsmacht, maar de bewijslast voor het centrum van de belangen bij de verwerende schuldenaar ligt.
De curator had voldoende gegevens verstrekt dat het centrum van de belangen in Nederland was, onder meer door het beheer van zakelijke belangen in Nederland en het ontbreken van een nieuw adres in België. De klachten van de verzoeker over de bewijswaardering en het niet voldoen aan de stelplicht faalden daarom. Ook de klacht over de belastingaanslagen werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de Nederlandse rechter is bevoegd voor de faillissementsprocedure.