ECLI:NL:PHR:2011:BR6118
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot inning studieleningen na vernietiging en verwijzing in cassatie
In deze zaak staat de bevoegdheid van Stichting Studiefinanciering Curaçao (SSC) centraal om studieleningen terug te vorderen van verzoekster, die in de jaren 1979-1986 studieleningen ontving voor haar tandheelkundestudie in de Verenigde Staten. SSC stelde in 2002 een vordering in bij het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, welke vordering in hoger beroep werd toegewezen door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (GHvJ).
De Hoge Raad vernietigde in 2008 het eerdere arrest vanwege een ongeldige overdracht van vorderingen aan SSC, waarna de zaak werd terugverwezen. In de procedure na verwijzing bracht SSC nieuwe feiten en stukken in, waaronder een overeenkomst van lastgeving en volmacht uit 1991 die haar bevoegdheid tot inning onderbouwt. Het GHvJ oordeelde dat deze bevoegdheid geldig was en dat SSC rechthebbende was geworden door een latere geldige cessie in 2004.
Verzoekster stelde in cassatie dat het hof ten onrechte nieuwe feiten en stukken had toegelaten en dat de lastgevingsovereenkomst nietig was. De Hoge Raad verwierp deze klachten, onder meer omdat SSC de overeenkomst al eerder had aangevoerd en het hof terecht oordeelde dat het verweer van verzoekster niet opging, zelfs indien de feiten bewezen zouden zijn. De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep geen doel treft en wijst het af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bevoegdheid van SSC tot inning van studieleningen wordt bevestigd.