ECLI:NL:PHR:2011:BR5151
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging tot uithuisplaatsing bij ouder zonder hoofdverblijf van minderjarige
Deze zaak betreft een verzoek van Bureau Jeugdzorg (BJZ) om een minderjarige, [de zoon], uit huis te plaatsen bij zijn vader, terwijl zijn hoofdverblijfplaats tot dan toe bij zijn moeder was. De moeder verzette zich tegen dit verzoek, maar rechtbank en hof wezen het toe. De Hoge Raad overweegt dat het uitgangspunt van ouderlijke gelijkwaardigheid niet betekent dat het belang van het kind ondergeschikt is. De noodzaak tot uithuisplaatsing werd door de lagere rechters vastgesteld, mede vanwege problematische verhoudingen tussen de minderjarige en zijn moeder.
De Hoge Raad gaat in op het belang van beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel, ook als de geldigheidsduur van de maatregel is verstreken, en erkent dat uithuisplaatsing een ingrijpende maatregel is die alleen bij klemmende noodzaak mag worden toegepast. Tevens wordt bevestigd dat plaatsing bij de ouder die niet de hoofdverblijfplaats had, geoorloofd is en praktisch wenselijk kan zijn.
De klachten van de moeder over onvoldoende inachtneming van ouderlijke gelijkwaardigheid en over de opvoedingsgeschiktheid van de vader worden verworpen. De Hoge Raad sluit aan bij recente jurisprudentie en literatuur die uithuisplaatsing bij de andere ouder toestaan. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader blijft gehandhaafd.