ECLI:NL:PHR:2011:BR3041

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05021 Bdw
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 575 lid 3 SvArt. 449 SvArt. 451 lid 1 SvArt. 451 lid 5 SvArt. 435 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bepaalt behandeling verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel

In deze zaak gaat het om een verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat op 16 november 2010 is ingediend bij de Rechtbank Amsterdam, maar ten onrechte niet in behandeling is genomen. De veroordeelde was op 16 juni 2008 veroordeeld wegens het rijden op een niet-verzekerde brommer en kreeg een dwangbevel opgelegd wegens het niet betalen van de boete.

Op 6 januari 2010 werd tegen het dwangbevel verzet aangetekend, maar dit werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard omdat er nog geen tenuitvoerlegging had plaatsgevonden. Op 16 november 2010 werd beslag gelegd op roerende zaken en werd een nieuw verzetschrift ingediend, dat echter door de griffie van de rechtbank niet werd behandeld. De vader van de veroordeelde stelde namens haar cassatie in bij de Hoge Raad tegen de weigering van het kanton om het verzet in behandeling te nemen.

De Hoge Raad stelt vast dat het verzetschrift van 16 november 2010 niet in het register stond en dat de griffie ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan het verzet. De Hoge Raad oordeelt dat het verzet alsnog door de Rechtbank Amsterdam moet worden behandeld en afgedaan, tenzij het verzetschrift vóór die behandeling wordt ingetrokken. De Hoge Raad wijst erop dat de vraag of verzet mogelijk is, niet door de griffie maar door de rechter moet worden beantwoord.

Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel alsnog door de Rechtbank Amsterdam moet worden behandeld.

Conclusie

Nr. 10/05021 Bdw
Mr. Knigge
Zitting: 5 juli 2011
Conclusie inzake:
[Veroordeelde]
1. Voor zover in de onderhavige zaak sprake is van een cassatieberoep, heeft dat cassatieberoep betrekking op een verzet als bedoeld in art. 575 lid 3 Sv Pro en richt dat beroep zich tegen de weigering van de (griffie van de) Rechtbank Amsterdam om "het verzet aan te nemen".
2. Namens betrokkene heeft mr. J. Groen, advocaat te Wassenaar, een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie. Dat middel klaagt over een beschikking van de Kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam van 23 juli 2010, waarbij een eerder door betrokkene gedaan verzet niet ontvankelijk is verklaard.
3. De vraag is wat de Hoge Raad met het onderhavige cassatieberoep moet aanvangen. Voor een goed begrip zet ik eerst uiteen wat - naar ik op grond van de gedingstukken en namens mij ingewonnen inlichtingen meen te mogen begrijpen - de gang van zaken is geweest.
4. De betrokkene is op 16 juni 2008 door de Kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam veroordeeld wegens kort gezegd het rijden op een niet verzekerde brommer. Op 24 december 2009 vaardigde het OM een dwangbevel uit wegens het niet betalen van de opgelegde boete. Tegen dat dwangbevel ging de betrokkene op 6 januari 2010 in verzet. De kantonrechter in de Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 23 juli 2010 dat verzet niet-ontvankelijk verklaard. Dit omdat naar zijn oordeel alleen verzet kan worden gedaan tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel en van enige vorm van tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet was gebleken. Tegen deze beslissing heeft betrokkene geen rechtsmiddel aangewend.
5. Op 16 november 2010 is uit krachte van het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op roerende zaken op het woonadres van betrokkene. Op 16 november 2010 is door de Rechtbank Amsterdam een schrijven (faxbericht) ontvangen waarin is aangegeven dat betrokkene in verzet komt tegen de inbeslagneming.(1) In dat door de vader van betrokkene - die op hetzelfde adres woont als betrokkene - namens haar ingediende verzetschrift wordt onder meer gesteld dat betrokkene geen vermogen heeft en dat de inboedel waarop beslag is gelegd, niet aan haar toebehoort.(2)
6. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich niet een akte van inlevering als bedoeld in art. 451 lid 1 Sv Pro.(3) Volgens informatie die namens mij is ingewonnen bij de griffie van de Rechtbank komt het verzetschrift van 16 november 2010 niet voor in het in art. 451 lid 5 Sv Pro bedoelde register van de Rechtbank. Op het onder punt 5 genoemde stuk is met pen geschreven "Tel. afgedaan 18/11/2010". Op grond hiervan kan het er in cassatie voor worden gehouden dat de griffie van de Rechtbank aan het ingediende verzetschrift geen gevolg heeft gegeven en dat telefonisch aan (de vader van) betrokkene heeft medegedeeld.(4) Of de griffie (ten onrechte) heeft gemeend dat niet opnieuw verzet kon worden gedaan in een zaak waarin een eerder verzet niet ontvankelijk is verklaard, dan wel (eveneens ten onrechte) heeft gemeend dat het binnengekomen schrijven moest worden opgevat als een tardief bezwaar tegen de ontvankelijkheidsbeslissing, is hier van weinig belang. Nu het schrijven gelet op de inhoud ervan bezwaarllijk anders kon worden verstaan dan een verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, had daaraan gevolg gegeven moeten worden. Of dat verzet mogelijk was, is immers een vraag die niet door de griffie van de Rechtbank beantwoord had mogen worden, maar overgelaten had moeten worden aan de rechter.
7. Op 18 november 2010 is blijkens een daarop geplakte sticker bij de Hoge Raad een schrijven (faxbericht) binnengekomen van de vader van betrokkene, waarin deze namens betrokkene cassatie instelt "tegen weigering kanton". In dit schrijven wordt gesteld dat "ik" van de uitspraak van de
Kantonrechter van 23 juni (bedoeld zal zijn: juli) 2010 niet in cassatie kon komen "omdat de betrokkene het eens was met de inhoud van de uitspraak". De schrijver zet uiteen dat de Kantonrechter betrokkene niet ontvankelijk had verklaard omdat de deurwaarder nog geen beslag had gelegd en dat betrokkene het met die beslissing eens was "in afwachting van beslaglegging". Tevens wordt gesteld dat de deurwaarder inmiddels op 16 november 2010 tot beslaglegging is overgegaan(5) en dat daarom op diezelfde dag "een nieuwe verzet procedure" is ingesteld, maar dat "mondeling door het kanton aan betrokkene [is] medegedeeld dat verzet niet meer mogelijk is en dat men in cassatie had moeten gaan over de uitspraak van het kanton van 23,07,2010". Herhaald wordt dat de betrokkene het met die beslissing eens was en dat betrokkene in cassatie komt "tegen weigering kanton op 16 november 2010 het verzet aan te nemen". Gesteld wordt dat "het kanton" het (nieuwe) verzet in behandeling had moeten nemen en dat het cassatieberoep zich richt tegen de weigering dat te doen.
8. Tussen de griffie van de Hoge Raad en die van de Rechtbank is vervolgens contact geweest. Dat heeft ertoe geleid dat de vader van betrokkene een "origineel exemplaar" van het schrijven van 18 november 2010 bij de griffie van de Rechtbank heeft ingediend, ditmaal voorzien van zijn handtekening en van een door betrokkene ondertekende schriftelijke volmacht. Daarop is het cassatieberoep door de Hoge Raad in behandeling genomen. Uit de e-mailwisseling tussen beide griffies en uit door de griffie bij de Hoge Raad opgemaakte telefoonnotities valt op te maken dat beide griffies er - in weerwil van de mijns inziens duidelijke tekst van het schrijven van 18 november 2010 - van zijn uitgegaan dat het bezwaar van de betrokkene zich richt tegen de beschikking van de Kantonrechter van 23 juli 2010. Dat heeft er kennelijk toe geleid dat de in art. 435 lid 1 Sv Pro bedoelde aanzegging spreekt van een tegen deze beslissing ingesteld cassatieberoep. Wellicht is daarin de verklaring gelegen voor het feit dat de door mr. Groen ingediende schriftuur zich tegen die beslissing richt.
9. De vraag is als gezegd wat de Hoge Raad met het onderhavige op hem gedane beroep moet aanvangen. Als het behandeld zou worden als een cassatieberoep, is het lot ervan snel bezegeld. De weigering van de griffie om aan het verzet gevolg te geven, zou beschouwd kunnen worden als een aan de Rechtbank toe te rekenen handeling. Weliswaar bepaalt art. 78 lid 1 RO Pro dat de Hoge Raad kennisneemt van cassatieberoepen tegen handelingen van rechtbanken, maar aangenomen moet worden dat deze bepaling bij gebreke van een nadere uitwerking in het Wetboek van Strafvordering zelfstandige betekenis mist.(6) De consequentie daarvan is dat betrokkene niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen. Dat maakt overigens dat de vraag kan blijven rusten of het ingediende cassatiemiddel, nu dat niet opkomt tegen de handeling waartegen het cassatieberoep is gericht, als een deugdelijk middel kan worden aangemerkt.
10. Een dergelijke uitkomst is mijns inziens weinig bevredigend. Ik zou er daarom voor willen pleiten om het tot dusver als een beroep in cassatie behandelde bezwaar van de betrokkene te "converteren" in een geschrift waarin de betrokkene persisteert bij haar wens om verzet te doen tegen de tenuitvoerlegging van het uitgevaardigde dwangbevel, als een geschrift derhalve waarin de griffie van de Rechtbank, toen zij daarvan op de hoogte raakte, aanleiding had moeten vinden om alsnog gevolg te geven aan het eerder ingediende verzetschrift.(7) De Hoge Raad zou met andere woorden op grond van het schrijven van 16 november 2010 en dat van 18 november 2010 kunnen verstaan dat betrokkene op 16 november 2010 verzet heeft gedaan tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel en dat daaraan niet kan afdoen dat aan dat verzet als gevolg van een verzuim van de griffie niet tijdig gevolg is gegeven. De Hoge Raad zou kunnen bepalen dat de stukken van het geding dienen te worden gezonden naar de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam, opdat de raadkamer van die Rechtbank het verzet met inachtneming van de beschikking van de Hoge Raad zal behandelen en afdoen.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal bepalen dat de stukken van het geding zullen worden gezonden naar de Griffier van de Rechtbank te Amsterdam, opdat de raadkamer van die Rechtbank het verzet met inachtneming van de beschikking van de Hoge Raad zal behandelen en afdoen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een brief van 16 november 2010 met als onderwerp "verzet procedure tegen de kosten van een deurwaarder" welk stuk blijkens de daarop geplaatste stempel door de Rechtbank Amsterdam, sector kanton is ontvangen op 16 november 2010.
2 Dat doet de vraag rijzen of het verzetschrift niet welwillend gelezen moet worden in die zin dat het niet alleen namens de dochter, maar ook - en misschien wel vooral - door de vader zelf als gepretendeerde eigenaar van de inboedel is ingediend. In zoverre was dan een schriftelijke machtiging van de dochter niet nodig geweest.
3 Ik ga er vanuit dat de artikelen 449 e.v. Sv, hoewel art. 449 lid 3 Sv Pro enkel van bezwaarschriften spreekt, ook van toepassing zijn op het doen van verzet als bedoeld in art. 575 lid 3 Sv Pro.
4 De betrokken griffier heeft inmiddels schriftelijk bevestigd dat destijds aan het verzetschrift geen gevolg is gegeven. Zie echter ook hierna, noot 7.
5 Bij het schrijven zijn diverse bijlagen gevoegd, waaronder een proces-verbaal van inbeslagneming d.d. 16 november 2010.
6 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, p. 11.
7 De telefonisch gegeven toelichting op het namens mij gedane verzoek om inlichtingen heeft er overigens toe geleid dat de behandelende griffier van de Rechtbank inmiddels tot de conclusie is gekomen dat het schrijven van 16 november 2010 destijds verkeerd is beoordeeld. Dat heeft ertoe geleid dat het schrijven alsnog in het daarvoor bedoelde register is ingeschreven. Meegedeeld is voorts dat met de behandeling van het gedane verzet zal worden gewacht tot de Hoge Raad op het ingestelde cassatieberoep heeft beslist.