ECLI:NL:PHR:2011:BR3033

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03667
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Leerplichtwet 1969
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vervolging feitelijke verzorger schoolverzuim ondanks gezagsverdeling

In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte, die niet de biologische ouder maar wel de feitelijke verzorger was van een jongere, terecht strafrechtelijk werd vervolgd wegens niet-nakoming van de Leerplichtwet 1969. De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een geldboete wegens het niet zorgen voor regelmatige schoolbezoek van de jongere.

De verdediging voerde in hoger beroep aan dat alleen degene die het ouderlijk gezag uitoefent, in dit geval de moeder, vervolgd had mogen worden en dat de vervolging van de feitelijke verzorger niet ontvankelijk had moeten worden verklaard. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat zowel de gezagsdrager als de feitelijke verzorger kunnen worden vervolgd, waarbij geen voorrangsregel geldt.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat artikel 2 van Pro de Leerplichtwet 1969 zich richt tot zowel degene die het gezag uitoefent als degene die feitelijk voor de jongere zorgt. De aanwijzing strafrechtelijke aanpak schoolverzuim ondersteunt deze uitleg. Het middel van de verdediging faalde en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de verdachte wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 10/03667
Mr. Aben
Zitting 5 juli 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 22 april 2010 de verdachte ter zake van "niet nakoming van de verplichting opgelegd bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969" veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,- (subsidiair 15 dagen hechtenis).
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.T. van Daatselaar, advocaat te Hoogeveen, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.(1)
3.1. Het middel klaagt er in eerste instantie over dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Voorts behelst het middel de klacht dat het hof verzuimd heeft te reageren, 'althans op een juiste wijze', op een uitdrukkelijk onderbouwd verweer van de verdediging.
3.2. Anders dan de presentatie van het middel doet voorkomen, houdt de toelichting op het middel niets in dat wijst in de richting van een bewijsklacht. Ik leid uit de toelichting dan ook af dat de steller van het middel kennelijk louter klaagt omtrent 's hofs verwerping van een door de verdediging gevoerd niet-ontvankelijkheidsverweer. Ik zal het middel dan ook in laatstbedoelde zin verstaan.
3.3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij in de periode van 18 september 2008 tot en met 7 januari 2009 te Hoogeveen, terwijl hij zich met de feitelijke verzorging van de jongere [medeverdachte] had belast, niet heeft voldaan aan zijn verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat [medeverdachte] de school waar hij stond ingeschreven geregeld bezocht. De verdachte is niet de biologische vader van [medeverdachte], maar heeft een relatie met de moeder van [medeverdachte] en woont sinds 2001 in het gezin. Uit de bewijsmiddelen kan, voor hier relevant, worden afgeleid dat de verdachte voor een deel de verantwoordelijkheid voor de kinderen neemt (bewijsmiddel 4) en dat hij aangaande [medeverdachte] contact met de school van [medeverdachte] heeft gehad (bewijsmiddelen 2 en 3).
3.4. In hoger beroep is het verweer gevoerd dat er kort gezegd op neer komt dat de verdachte niet vervolgd had mogen worden door het openbaar ministerie. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet de (biologische) vader is van [medeverdachte] en dat om die reden niet hij, maar de moeder van [medeverdachte] (met wie de verdachte samenwoont) bij wijze van voorrang vervolgd had moeten worden. Anders gezegd: er zou een voorrangsregel moeten gelden op grond waarvan niet de verdachte (als 'slechts' iemand die met de feitelijke verzorging van [medeverdachte] was belast), maar de moeder (als degene die het gezag over [medeverdachte] uitoefent) zou moeten worden vervolgd.(2)
3.5. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe vanaf pagina 2 van het bestreden arrest het volgende overwogen
'De raadsman heeft betoogd dat de verdacht ten onrechte wordt vervolgd voor het schoolverzuim van de jongere. De moeder van de jongere dient, als degene die met het ouderlijk gezag over de jongere is belast, primair aansprakelijk te worden gesteld.
Het hof verstaat het verweer van de raadsman aldus dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.
Het openbaar ministerie hanteert ten behoeve van de strafrechtelijke aanpak van schoolverzuim beleidsregels. De ten tijde van het onderhavige feit geldende Aanwijzing strafrechtelijke aanpak schoolverzuim (registratienummer 2007A006) schrijft voor dat in geval van zogenaamd signaalverzuim zowel de ouders als de jongere vervolgd kunnen worden. In geval van vervolging van de ouder/verzorger is het uitgangspunt dat één ouder/verzorger wordt vervolgd, te weten degene die is gehoord, dan wel de ouder/feitelijk verzorger die in het bevolkingsregister als gezinshoofd wordt aangemerkt. In de onderhavige zaak is de verdachte, die blijkens de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Hoogeveen op hetzelfde adres woont als de jongere, door de leerplichtambtenaar gehoord. De verdachte en de jongere zijn strafrechtelijk vervolgd.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot vervolging van de verdachte had kunnen overgaan. Het hof verwerpt daarom dit verweer.'
3.6. Artikel 2 van Pro de Leerplichtwet 1969 richt zich zowel tot degene die het gezag over de jongere uitoefent als tot degene die met de feitelijke verzorging van de jongere is belast. Het hof heeft de verdachte op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen aanmerken als de 'feitelijke verzorger' van [medeverdachte]. Gelet op de redactie van artikel 2 van Pro de Leerplichtwet 1969, alsmede gelet op de inhoud van de door het hof aangehaalde aanwijzing(3), acht ik 's hofs verwerping van het verweer onjuist, noch onbegrijpelijk. Noch de wet(sgeschiedenis), noch meergenoemde aanwijzing biedt aanknopingspunten voor de door de verdediging (en thans door de steller van het middel) bepleite - de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie rakende - 'voorrangsregel'. Het hof heeft dus zonder meer kunnen oordelen dat het openbaar ministerie in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot de vervolging van de verdachte. Dat mogelijk ook de moeder van [medeverdachte] vervolgd had kunnen worden, doet aan de juistheid en/of begrijpelijkheid van dat oordeel niet af.
3.7. Het middel is vruchteloos voorgesteld.
4. Het middel faalt en kan mijns inziens met de aan artikel 81 RO Pro te ontlenen motivering worden afgedaan. Ambtshalve gronden waarop de bestreden uitspraak zou dienen te worden vernietigd heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de onder nr. 10/03669 J tegen [medeverdachte] aanhangige zaak, in welke zaak ik vandaag eveneens zal concluderen.
2 Zie aangaande dit verweer pagina 2 van het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 8 april 2010.
3 Aanwijzing strafrechtelijke aanpak schoolverzuim, Stcrt. 2007, 144.