ECLI:NL:PHR:2011:BR2087
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bepaalt proeftijd en vermeldt correcte wetsartikelen bij veroordeling voor medeplegen wapens en munitie
Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweldpleging of afpersing. De straf bedroeg 27 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een bijzondere voorwaarde, en het hof gelastte verbeurdverklaring en onttrekking van in beslag genomen voorwerpen.
De verdediging stelde cassatie in met twee middelen: het hof had nagelaten de duur van de proeftijd te bepalen en had artikel 55 WWM Pro niet vermeld als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging berustte. De Hoge Raad achtte het eerste middel gegrond en stelde ambtshalve de proeftijd op twee jaar vast, aangezien dit in de praktijk de gebruikelijke duur is.
Het tweede middel werd eveneens gegrond bevonden omdat artikel 55 WWM Pro ontbrak in de veroordeling, terwijl dit artikel de strafbedreiging bevat. De Hoge Raad maakte gebruik van zijn bevoegdheid om deze tekortkomingen te herstellen zonder vernietiging of terugverwijzing.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad de proeftijd op twee jaar bepaalt, artikel 55 WWM Pro aanhaalt en het cassatieberoep voor het overige verwerpt. Er zijn geen gronden voor vernietiging of terugverwijzing, waardoor het hofvonnis grotendeels in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt de proeftijd op twee jaar en vermeldt artikel 55 WWM, en verwerpt het cassatieberoep verder.