ECLI:NL:PHR:2011:BQ8907
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest wegens schending Salduz-recht en bewijsuitsluiting
In deze zaak stond de vraag centraal of een verklaring van verdachte, afgelegd zonder voorafgaand overleg met een advocaat, gebruikt mocht worden als bewijs. Verdachte was veroordeeld voor diefstal, waarbij één van de bewijsmiddelen zijn verklaring aan de politie was. De verdediging voerde aan dat deze verklaring niet als bewijs mocht dienen vanwege het Salduz-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het hof erkende een vormverzuim omdat verdachte niet voorafgaand aan het verhoor de gelegenheid had gekregen een advocaat te raadplegen, maar oordeelde dat dit niet automatisch tot bewijsuitsluiting hoefde te leiden. Het hof motiveerde dit met het ontbreken van aanwijzingen dat de verklaring onbetrouwbaar was en het feit dat verdachte niet was geschaad in zijn verdediging.
De Hoge Raad herhaalde echter de strikte uitleg van het Salduz-arrest en het toepasselijke artikel 359a Sv. Volgens de Hoge Raad leidt het niet bieden van de mogelijkheid tot raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste verhoor in beginsel tot bewijsuitsluiting van de verklaringen die zonder advocaat zijn afgelegd, tenzij verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht of er dwingende redenen zijn.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en stelde dat het hof ten onrechte een middenweg had gekozen die niet strookt met de jurisprudentie. De overige middelen van cassatie behoefden geen bespreking meer. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing in overeenstemming met deze overwegingen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd omdat het vormverzuim niet tot bewijsuitsluiting leidde, in strijd met het Salduz-arrest.