ECLI:NL:PHR:2011:BQ8734

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01654
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 FwArt. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 47 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens fraudeschuld Wet werk en bijstand

Verzoekster tot cassatie had een schuldenlast van €123.501,49, waaronder een schuld van €14.510,- aan de gemeente Groningen. Hiervan betrof €3.683,26 een fraudeschuld wegens onterecht ontvangen uitkeringen uit hoofde van de Wet werk en bijstand. Zij had niet gemeld dat zij in Kenia verbleef en liet haar dochter inlichtingenverklaringen namens haar indienen.

De rechtbank wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof stelde dat iedere schuld die als fraudeschuld kan worden gekwalificeerd, ongeacht de omvang, een belemmering vormt voor toelating tot de regeling.

Verzoekster stelde dat het hof ten onrechte van een strafbaar feit was uitgegaan, terwijl het delict fraudeschuld niet in de strafwet voorkomt en geen strafrechtelijke procedure was gevolgd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof met de term 'fraudeschuld' slechts bedoelde dat sprake was van het ontstaan van een schuld door het niet nakomen van de inlichtingenplicht, zonder dat het hof zich hoefde uit te spreken over strafbaarheid.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het bestaan van een fraudeschuld.

Conclusie

Zaaknummer: 11/01654
mr. Wuisman
Parketdatum: 20 mei 2011
CONCLUSIE inzake:
[Verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
1. Voorgeschiedenis
1.1 Bij arrest d.d. 31 maart 2011 bekrachtigt het hof te Leeuwarden het vonnis d.d. 15 februari 2011, waarmee de rechtbank het verzoek van verzoekster tot cassatie om tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en sub b, Fw afwijst. Het hof gaat er daarbij van uit dat verzoekster tot cassatie een schuldenlast van in totaal € 123.501,49 heeft, waaronder een schuld van € 14.510,- aan de gemeente Groningen. Van deze laatste schuld maakt een 'fraudeschuld' van € 3.683,26 deel uit. Die schuld heeft betrekking op onterecht van de gemeente ontvangen uitkeringen uit hoofde van de Wet werk en bijstand. Die uitkeringen ontving verzoekster deels in 2005 en deels in 2006, terwijl zij niet aan de gemeente meldde dat zij in Kenia verbeef. Tijdens dat verblijf liet zij haar dochter inlichtingenverklaringen naar Kenia opzenden en, na die verklaringen ingevuld teruggezonden te hebben, bij de gemeente indienen. Verzoekster stelt niet geweten te hebben dat zij haar verblijf in Kenia aan de gemeente had moeten melden. Die schuld, die voor het grootste deel meer dan vijf jaren vóór de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is ontstaan, is al voor een bedrag van € 2.259,21 afgelost. Aan de bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank legt het hof met name het volgende ten grondslag: "Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep staat vast dat [verzoekster] een fraudeschuld heeft laten ontstaan. Het hof hanteert als uitgangspunt dat iedere schuld die als fraudeschuld valt te kwalificeren - ongeacht de omvang van de schuld - in de weg staat aan toelating tot de schuldsaneringsregeling."
1.2 Verzoekster tot cassatie is met een op 6 april 2011 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift in cassatie gekomen van het arrest van het hof.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Aan het aangevoerde cassatiemiddel ligt ten grondslag dat het hof van een strafbaar feit, te weten fraudeschuld, is uitgegaan. Dat doet het hof ten onrechte, want in de strafwet komt het delict fraudeschuld niet voor. Bovendien is er ook niet een met waarborgen omklede rechtsgang voor de strafrechter geweest. Een en ander levert strijd met artikel 6 EVRM Pro alsmede 47 EU-Handvest op.
2.2 Het middel slaagt niet wegens gemis aan feitelijke grondslag. Het arrest van het hof geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het hof beoogd heeft uit te gaan van een in de strafwet voorkomend delict. Met de term 'fraudeschuld' wil het hof niet meer aangeven dan dat verzoekster tot cassatie een schuld heeft doen ontstaan door uitkeringen uit de Wet werk en bijstand in ontvangst in ontvangst te nemen, terwijl zij de daaraan verbonden inlichtingenplicht nakomt op een zodanige wijze dat voor de gemeente niet kenbaar wordt dat zij in het buitenland vertoeft. In de vraag of die handelwijze een strafbaar feit oplevert, verdiept het hof zich niet en hoefde het hof zich ook niet te verdiepen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden