ECLI:NL:PHR:2011:BQ8111
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling huurprijs oneigenlijke dienstwoning bij gemengde arbeidsovereenkomst
In deze zaak staat de vraag centraal of en hoe de huurprijs van een oneigenlijke dienstwoning kan worden vastgesteld wanneer deze niet expliciet in de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Verweerder, een fysiotherapeut, bewoont sinds 1986 een woning die hem ter beschikking is gesteld als dienstwoning, gekoppeld aan zijn arbeidsovereenkomst. Na het einde van het dienstverband bleef hij de woning bewonen, waarna eisers tot cassatie een vordering instelden tot vaststelling van een huurprijs.
De arbeidsovereenkomst vermeldde dat de economische huurwaarde in overleg met de belastinginspecteur zou worden vastgesteld, maar er was geen expliciete huurprijs overeengekomen. De lagere rechters oordeelden dat het ging om een oneigenlijke dienstwoning, waarop het huurrecht van toepassing is, en dat de huurprijs door de rechter moest worden vastgesteld. Het hof baseerde zich daarbij op het woningwaarderingsstelsel en de praktijk van de Minister van VROM.
De Hoge Raad bevestigt dat bij gemengde overeenkomsten waarbij woonruimte wordt verstrekt als onderdeel van de arbeidsrelatie, de tegenprestatie voor het woongenot niet exact bepaalbaar hoeft te zijn. De verplichting tot loon en woonruimte kan als een gecombineerde tegenprestatie worden gezien. De rechter kan bij gebreke van een expliciete huurprijs deze vaststellen op basis van redelijkheid en billijkheid. Een beroep op rechtsmisbruik of derogerende werking van huurrecht wordt verworpen. Het cassatieberoep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vaststelling van de huurprijs door het hof bekrachtigd.