ECLI:NL:PHR:2011:BQ7790

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00606
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416, tweede lid, SvArt. 348 SvArt. 349, eerste lid, SvArt. 358, derde lid, SvArt. 359, tweede lid, Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken grieven

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een veroordeling wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal. De verdachte had geen schriftuur met grieven ingediend binnen de wettelijke termijn en ook ter terechtzitting geen mondelinge bezwaren geuit.

De Hoge Raad overweegt dat de rechter niet altijd expliciet hoeft te vermelden dat hij onderzoek heeft gedaan naar de geldigheid van de dagvaarding, zolang uit de uitspraak blijkt dat de dagvaarding geldig is. In deze zaak was de dagvaarding geldig betekend.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het niet-ontvankelijk verklaren van het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven niet in strijd is met artikel 14, vijfde lid, van het IVBPR, dat het recht op behandeling in twee instanties garandeert. De verdachte kan immers zelf de behandeling in tweede aanleg vormgeven door tijdig grieven in te dienen. Tegen de niet-ontvankelijkverklaring staat cassatie open.

De Hoge Raad verwerpt de middelen van cassatie en bevestigt het arrest van het hof.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het niet indienen van grieven binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 10/00606
Mr. Machielse
Zitting 12 april 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 4 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Middelburg van 9 februari 2009, waarbij de Politierechter de verdachte wegens 1. "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 aanhef Pro en onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "Diefstal door twee of meer verenigde personen" heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd.
2. Mr. O. Bolluyt, advocaat te Almere, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft onderzocht of de dagvaardingen in eerste aanleg en hoger beroep op de juiste wijze aan de verdachte zijn betekend.
3.2. Ingevolge art. 348 Sv Pro behoort de rechter onderzoek te doen naar de geldigheid van de dagvaarding.(1) Uit het vonnis of arrest behoeft echter slechts dan te blijken dat de rechter dit onderzoek heeft verricht, indien
(a) op de voet van art. 349, eerste lid, Sv de nietigheid van de dagvaarding wordt uitgesproken, aangezien een dergelijke beslissing op grond van de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv Pro met redenen moet zijn omkleed;
(b) in strijd met een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349, eerste lid, Sv niet wordt toegepast, aangezien op grond van art. 358, derde lid, Sv in het vonnis of arrest bepaaldelijk een beslissing dient te worden gegeven omtrent zo een verweer, welke beslissing eveneens op grond van de eerste volzin van het tweede lid van art. 359 Sv Pro met redenen moet zijn omkleed;
(c) de beslissing afwijkt van een door het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in art. 348 Sv Pro, aangezien op grond van de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv Pro in het vonnis of het arrest in het bijzonder de redenen dienen te worden gegeven die daartoe hebben geleid;
(d) uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de dagvaarding nietig is en niet een zodanige beslissing wordt gegeven.(2)
3.3. Anders dan de steller van het middel kennelijk wil, behoeft de rechter dus niet steeds te laten blijken onderzoek te hebben gedaan naar de geldigheid van de dagvaarding. Dat een vonnis of arrest niet inhoudt dat dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, betekent niet zonder meer dat de rechter dat onderzoek niet heeft gedaan. Veeleer zal het betekenen dat de rechter van oordeel is dat de dagvaardig niet nietig is. De bestreden uitspraak moet in dat licht worden bezien. In de bestreden uitspraak ligt als oordeel van het Hof besloten dat de dagvaardingen geldig zijn. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg na vergeefse aanbieding op het GBA-adres van de verdachte aan de griffier is uitgereikt en als gewone brief naar het GBA-adres van de verdachte is gezonden en dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep op 23 november 2009 in persoon aan de verdachte is uitgereikt, zoals ook de voorzitter in aanwezigheid van de advocaat die thans de middelen voorstelt, blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting heeft geconstateerd.
3.4. Het middel faalt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep. Volgens de steller van het middel is dat in strijd met art. 14, vijfde lid, van het IVBPR, meer in het bijzonder kennelijk met het daarin besloten liggende recht op behandeling in twee instanties.
4.2. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:
"Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte heeft niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep."
4.3. Art. 14, vijfde lid, IVBPR luidt als volgt:
"Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet."
4.4. Art. 410, eerste lid, Sv bepaalt dat de verdachte binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur houdende grieven kan indienen op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. In art. 416, tweede lid, Sv is bepaald dat, indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het door de verdachte ingestelde beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Dat is een einduitspraak waartegen ingevolge art. 427 Sv Pro beroep in cassatie open staat.
4.5. Ik merk op dat art. 410, eerste lid, in verbinding met art. 416, tweede lid, Sv niet in de weg staat aan een tweede (feitelijke) behandeling. Het Hof kan de verdachte niet-ontvankelijk verklaren als hij geen grieven indient of niet mondeling bezwaren opgeeft, maar het voorkomen van het intreden van dat gevolg ligt dus volledig in handen van de verdachte zelf. Ook wanneer de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij dat te laat heeft ingesteld is er geen sprake van schending van het vijfde lid van artikel 14 IVBPR Pro. Het is de verdachte zelf die de behandeling in tweede feitelijke aanleg gestalte kan geven. Ik zie niet in waarom een ontvankelijkheidsvoorwaarde in strijd is met art. 14, vijfde lid, IVBPR. Daar komt bij dat de verdachte tegen de niet-ontvankelijkverklaring zoals gezegd beroep in cassatie kan instellen. Algemeen wordt aangenomen dat ook beroep in cassatie een rechtsmiddel als bedoeld in art. 14, vijfde lid, IVBPR oplevert.(3)
4.6. Het middel faalt.
5. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Ik beperk mij hier tot het onderzoek naar de geldigheid van de dagvaarding, maar ingevolge art. 348 Sv Pro behoort de rechter ook onderzoek te doen naar zijn bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en het bestaan van redenen voor schorsing der vervolging. Het navolgende geldt ook voor die onderzoeken.
2 HR 29 april 2008, NJ 2008, 482, m.nt. Klip.
3 Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 6e druk, p. 754-755, J. de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken (diss. Groningen), 1989, p. 140, 159-160.