ECLI:NL:PHR:2011:BQ7045

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01117
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 127a lid 3 RvArt. 409a lid 2 RvArt. 409a lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing hardheidsclausule bij niet-tijdige betaling griffierecht in cassatieprocedure

Eiseressen hebben beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het hof Amsterdam. Volgens art. 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken moesten zij het griffierecht binnen vier weken na eerste uitroeping van de zaak voldoen, maar dit geschiedde pas na die termijn.

Op grond van art. 409a lid 2 Rv zou de Hoge Raad hen niet-ontvankelijk verklaren wegens niet-tijdige betaling, met veroordeling in de kosten. Echter, art. 409a lid 3 Rv en art. 127a lid 3 Rv bieden een hardheidsclausule die toepassing van die sanctie kan voorkomen bij onbillijkheid van overwegende aard.

De Hoge Raad volgt een gedragslijn waarbij partijen in een dergelijke situatie in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de betalingsverzuim en de mogelijke toepassing van de hardheidsclausule. De zaak wordt aangehouden om eiseressen deze mogelijkheid te bieden.

De conclusie benadrukt dat verwarringwekkende gedragingen en nalatigheden van de gerechtelijke administratie niet ten koste van de rechtzoekende mogen gaan. De advocaat-generaal adviseert de zaak aan te houden tot de volgende zitting.

Uitkomst: De zaak is aangehouden om eiseressen gelegenheid te geven zich uit te laten over de niet-tijdige betaling van het griffierecht en toepassing van de hardheidsclausule.

Conclusie

11/01117
mr. Keus
Zitting 27 mei 2011
Conclusie inzake:
1. [Eiseres 1]
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Natural Golf Business Events B.V.
eiseressen tot cassatie
tegen
[Verweerster]
verweerster in cassatie
1. Eiseressen hebben bij exploot van 12 januari 2011 beroep in cassatie van het tussen partijen op 12 oktober 2010 onder zaaknummer 200.040.097/01 gewezen arrest van het hof Amsterdam ingesteld. De zaak is op 11 maart 2011 voor de eerste maal ter zitting van de Hoge Raad uitgeroepen.
2. Eiseressen dienden op grond van art. 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken ervoor zorg te dragen dat het door hen verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting op de rekening van de Hoge Raad zou zijn bijgeschreven. Het griffierecht is echter eerst geruime tijd na ommekomst van die termijn, te weten op 23 mei 2011, op de rekening van de Hoge Raad ontvangen.
3. Indien de eisende partij het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, verklaart de Hoge Raad haar op grond van art. 409a lid 2 Rv niet ontvankelijk in haar beroep in cassatie, met haar veroordeling in de kosten. Op grond van art. 409a lid 3 Rv zijn de leden 3 en 4 van art. 127a Rv echter van overeenkomstige toepassing, hetgeen impliceert dat de Hoge Raad art. 409a lid 2 Rv buiten toepassing laat, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij de toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4. In een overeenkomstige zaak (zaaknummer 11/01154) heeft mijn ambtgenoot Huydecoper erop gewezen dat het niet wenselijk is dat de Hoge Raad over de ontvankelijkheid in verband met een niet tijdige betaling van griffierecht beslist, zonder dat de betrokken partij uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld zich op de uitzonderingsbepaling van art. 127a lid 3 Rv te beroepen. Om die reden concludeerde hij dat, wanneer wordt geconstateerd dat volgens de administratie van de Hoge Raad het verschuldigde griffierecht niet tijdig dan wel onvolledig is betaald, de betrokken partij op de eerstvolgende rolzitting wordt medegedeeld dat deze situatie zich voordoet en zij in de gelegenheid wordt gesteld om op korte termijn kenbaar te maken of er inderdaad van een verzuim in de betaling sprake is en, zo ja, of zich omstandigheden voordoen die met zich brengen dat toepassing van art. 409a lid 2 Rv tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden. In zaak 11/01154 is die gedragslijn gevolgd en is de betrokken partij ter rolle een termijn gegund van 14 dagen om zich over een en ander uit te laten.
5. Ik concludeer dat de Hoge Raad in de onderhavige zaak een gelijke gedragslijn zal volgen en de zaak zal aanhouden tot de zitting van 10 juni 2011, opdat eiseressen zich nader over de niet-tijdige betaling van het griffierecht en de daaraan te verbinden consequenties kunnen uitlaten.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal