4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 11 februari 2008 is volgens de daaraan gehechte akte van uitreiking op 18 december 2007 tevergeefs aangeboden op het GBA-adres van de verdachte en vervolgens op 21 december 2007 op het postkantoor uitgereikt aan een schriftelijk gemachtigde van de verdachte ("moeder").
(ii) Uit het aan deze akte van uitreiking gehechte bericht van aankomst kan worden afgeleid dat de verdachte niet zijn moeder maar zichzelf heeft gemachtigd om de inleidende dagvaarding op het postkantoor in ontvangst te nemen.(1)
(iii) De aantekening mondeling vonnis van de Politierechter van 11 februari 2008 houdt in dat de verdachte bij verstek is veroordeeld.(2)
(iv) Namens de verdachte heeft mr. S. Vaupell, advocaat te Wolvega, op 18 april 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter.
(v) De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2009 verklaard dat de inleidende dagvaarding aan zijn moeder is uitgereikt, dat het nimmer zijn bedoeling is geweest om zijn moeder hiervoor schriftelijk te machtigen, dat hij zichzelf wilde machtigen en dat hij daarom zijn eigen naam heeft ingevuld bij degene aan wie de dagvaarding moest worden uitgereikt, dat hij dacht dat het noodzakelijk was om het machtigingsformulier van een handtekening te voorzien, dat het zich in het dossier bevindende machtigingsformulier is voorzien van zijn handtekening, dat zijn moeder kennelijk op een gegeven moment de inleidende dagvaarding bij het postkantoor heeft opgehaald, dat zij dit schrijven echter niet onmiddellijk aan hem heeft gegeven omdat zij wist dat hij op dat moment iets anders (het studeren voor zijn tentamens) aan zijn hoofd had, dat zijn moeder hem uiteindelijk "uiterlijk eind februari 2008" op de hoogte heeft gebracht van de inhoud van het gerechtelijke schrijven, dat hij niet heeft geweten dat zijn moeder de inleidende dagvaarding had opgehaald totdat zij hem hiermee eind februari 2008 confronteerde en dat hij de inleidende dagvaarding niet zelf heeft opgehaald omdat hij het te druk had met het studeren voor zijn tentamens. Voorts heeft de raadsman van de verdachte op die terechtzitting in antwoord op de vraag van de oudste raadsheer waarom er pas in april 2008 hoger beroep is ingesteld terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij sinds eind februari 2008 op de hoogte is geweest van de zitting in eerste aanleg, medegedeeld dat hij pas later een afspraak met de verdachte had en dat hij daarna meteen hoger beroep heeft ingesteld.
(vi) Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep omdat het te laat is ingesteld en heeft daartoe onder het hoofd "ontvankelijkheid van het hoger beroep" het volgende overwogen. De moeder van de verdachte was niet gevolmachtigd om namens de verdachte de inleidende dagvaarding in ontvangst te nemen, nu de zich in het dossier bevindende schriftelijke machtiging is voorzien van de handtekening van de verdachte, hetgeen de verklaring van de verdachte ondersteunt dat hij slechts de bedoeling heeft gehad om zichzelf te machtigen ten einde het gerechtelijke schrijven op te halen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2009 duidelijk en ondubbelzinnig verklaard dat hij uiterlijk eind februari 2008 op de hoogte is geraakt van de inhoud van deze brief (de inleidende dagvaarding). Derhalve is hij op dat moment op de hoogte geraakt van het feit dat hij op 11 februari 2008 ter terechtzitting van de Politierechter had kunnen verschijnen. Vanaf dit moment had de verdachte binnen veertien dagen hoger beroep dienen in te stellen, terwijl het hoger beroep echter pas op 18 april 2008 is ingesteld.