ECLI:NL:PHR:2011:BQ5984

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04745
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 1:251a BWArt. 377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk ouderlijk gezag in eenhoofdig gezag en vaststelling omgangsregeling

Na de echtscheiding van partijen in 2006 werd het gezamenlijke ouderlijk gezag over hun jonge kinderen gewijzigd door het hof Den Bosch. Het hof droeg het eenhoofdig gezag over aan de moeder en stelde een omgangsregeling vast. Het hof motiveerde uitvoerig dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders zonder uitzicht op verbetering, waardoor een eenhoofdig gezag noodzakelijk werd geacht.

De verzoeker tot cassatie betwistte deze feiten en de motivering niet, maar ervoer de beslissing als een doorbreking van de gelijkwaardigheid tussen ouders en als een strafsanctie. De Hoge Raad oordeelde dat deze gevoelens juridisch irrelevant zijn en dat het hof zijn oordeel op een juiste maatstaf heeft gebaseerd.

Verder klaagde verzoeker dat het hof niet was ingegaan op zijn verzoek om een dwangsomsanctie te verbinden aan de omgangsregeling. De Hoge Raad stelde dat het hof vrij is in zijn beoordeling en dat het niet toewijzen van een dergelijke sanctie begrijpelijk was gezien de gekozen omgangsregeling. De klachten werden verworpen en het cassatieberoep afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het eenhoofdig gezag aan de moeder met omgangsregeling blijft gehandhaafd.

Conclusie

Zaaknr. 10/04745
Mr. Huydecoper
Parket, 20 mei 2011
Conclusie inzake
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
tegen
[Verweerster]
verweerster in cassatie
1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het hof Den Bosch waarbij, nadat de partijen in 2006 van echt waren gescheiden, het ouderlijk gezag over de kinderen van partijen (geboren in 2003 en 2005, en dus nog betrekkelijk jong) aan de verweerster in cassatie, [verweerster], werd opgedragen - met beëindiging van het tot dan toe bestaande gezamenlijke ouderlijke gezag; en waarbij in een omgangsregeling werd voorzien.
2. Volgens mij moeten de in cassatie tegen deze beslissing ingebrachte klachten worden verworpen. Die klachten stellen geen vragen aan de orde die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoord zouden moeten worden. Ook overigens zijn de klachten van dien aard, dat ik meen dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.
3. Het eerste middel komt op tegen de beslissing waarbij het eenhoofdige gezag over de kinderen aan [verweerster] werd opgedragen.
Deze beslissing berust op een uitvoerige motivering, waarin het hof duidelijk aangeeft op grond van welke feiten en verdere gegevens moet worden geoordeeld dat de kinderen van partijen klem of verloren raken tussen de ouders, en zonder dat er reëel uitzicht op verbetering van de situatie bestaat.
4. Het middel bestrijdt deze vaststelling en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen niet. Het voert ook niet aan dat het hof zijn oordeel op een onjuiste maatstaf zou hebben gebaseerd. Dat is ook klaarblijkelijk niet het geval.
Wat het middel wél beoogt aan te voeren is mij, eerlijk gezegd, niet helemaal duidelijk.
5. Ik maak uit de gegeven toelichting op dat [verzoeker] meent dat de beslissing van het hof de tot dan toe bestaande gelijkwaardigheid van de ouders in de verhouding ten opzichte van de kinderen doorbreekt; en dat [verzoeker] de beslissing van het hof ervaart als een strafsanctie. Het eerste doet echter, al zou het juist zijn, niet af aan de klemmende argumenten die het hof heeft aangewezen, en die aandringen dat in de hoogst ongelukkige opvoedingssituatie van de kinderen verandering moet komen (en wel, onder andere, door het verwezenlijken van een eenhoofdige gezagsvoorziening). Wat het tweede betreft: de beslissing van het hof kan niet gelden als een strafsanctie. Als [verzoeker] die mogelijk wel zo ervaart, is dat rechtens irrelevant.
De klachten van het eerste middel, voorzover al begrijpelijk, tasten dus de beslissing van het hof in het geheel niet aan.
6. Het tweede middel klaagt dat het hof niet is ingegaan op een verzoek van [verzoeker] dat ertoe strekte een (dwangsom-)sanctie aan de door [verzoeker] vezochte omgangsregeling te verbinden.
Het hof heeft echter termen aanwezig geacht om niet de omgangsregeling zoals [verzoeker] die had verzocht vast te stellen, maar om te kiezen voor een geheel andere vormgeving van de te verwezenlijken omgang.
7. Al daarom is te begrijpen dat het hof ook geen aanleiding heeft gezien voor toewijzing van het verzoek om een sanctie.
Of oplegging van een dwangsomsanctie in aanmerking komt, staat overigens ter vrije beoordeling van de rechters in feitelijke aanleg(1). Het oordeel dat hier van de rechter gevraagd wordt, brengt bijna altijd afweging van een complex aan feitelijke omstandigheden met zich mee. In de onderhavige zaak was dat zeker het geval.
8. Zoals ik al aangaf, is bij uitstek begrijpelijk dat het hof geen termen heeft gezien om aan de omgangsregeling in de vorm waarvoor het hof heeft gekozen (en die van de kant van [verzoeker] verder in cassatie niet wordt bestreden), een dwangsomsanctie te verbinden. Een expliciet gemotiveerd oordeel hierover was niet nodig.
Ook de hierop gerichte klacht lijkt mij dus ondeugdelijk.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro; en met een beslissing over de kosten zoals de Hoge Raad die aangewezen zal achten.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Jongbloed, 2010, art. 611a, aant. 7.