ECLI:NL:PHR:2011:BQ4663

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01042 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 33 WAHVArt. 94 SvArt. 94a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling juiste rechtsgang bij inbeslagname auto wegens openstaande boetes

Klager, een taxichauffeur, zag zijn auto in beslag genomen worden wegens openstaande boetes, waardoor hij niet kon werken en inkomsten misliep. De rechtbank verklaarde klager niet-ontvankelijk in zijn beklag omdat de auto niet onder beslag van artikel 552a Sv zou vallen en er geen strafrechtelijk onderzoek tegen hem liep. De rechtbank oordeelde dat het beklag niet het juiste rechtsmiddel was.

De raadsman van klager stelde dat het beslag mogelijk krachtens de WAHV was gelegd, maar de rechtbank gaf geen duidelijkheid over de grondslag van het beslag. De Hoge Raad constateerde dat uit de stukken niet blijkt welke titel het beslag heeft en dat de rechtbank niet had moeten oordelen over ontvankelijkheid zonder eerst duidelijkheid te verschaffen.

De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank om te onderzoeken wat de grondslag van het beslag is, welke rechtsgang openstaat voor klager en om de stukken door te zenden aan de bevoegde instantie voor behandeling van het beroep. Hierdoor krijgt klager alsnog de mogelijkheid om tegen het beslag op te komen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de grondslag van het beslag en de juiste rechtsgang.

Conclusie

Nr. 10/01042 B
Mr. Machielse
Zitting 26 april 2011
Conclusie inzake:
[Klager]
1. De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 24 november 2009 de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag tegen de inbeslagname van zijn auto.
2. Mr. R.A. Kaarls, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Namens de klager heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte het klaagschrift ex art. 552a Sv niet heeft geconverteerd in het juiste rechtsmiddel, te weten een beroepschrift als bedoeld in art. 33 WAHV Pro, en dientengevolge de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beklag.
3.2. Het zich bij de stukken bevindende klaagschrift houdt het volgende in:
"Rechtbank Den Haag
Sector strafrecht
t.a.v. de Raadkamer
(...)
Inzake: (...) Klaagschrift inbeslagname (552a Sv)
(...)
[Klager], verder ook 'klager', geboren op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats] aan de [a-straat 1], voor deze aangelegenheid woonplaats kiezende te 2514 JC 's-Gravenhage aan de Amaliastraat 5 ten kantore van de raadsman, mr B.J. de Bruijn, die door hem bepaaldelijk is gemachtigd dit klaagschrift te ondertekenen en in te dienen;
dat door politie op 23 juni 2009 onder klager, een auto, te weten een Mercedes 300, met kentekenplaat [AA-00-BB] in beslag is genomen (productie 1);
dat het inbeslaggenomen auto eigendom is van klager en dat dit voorwerp door klager niet door een strafbaar feit is onttrokken aan enig rechthebbende, terwijl klager van deze voorwerpen geen afstand heeft gedaan;
dat klager zich door en over het voortduren van voormelde inbeslagneming bezwaard voelt, omdat;
1. het klager deze auto nodig heeft voor zijn werk en zijn inkomen hier dus van afhankelijk is.
Redenen, waarom hij Uw college verzoekt het voormelde beslag op te heffen met last tot teruggave/afgifte aan klager."
3.3. Aan het klaagschrift is als productie 1 een 'bewijs van ontvangst' gehecht. Dit 'bewijs van ontvangst' houdt het volgende in:
"Politie Haaglanden
(...)
BEWIJS VAN ONTVANGST
Reg. nummer: PL1581/2009/15640 - 5
t.b.v. verbalisant: [verbalisant 1], hoofdagent van Politie Haaglanden
De ondergetekende,
Naam : [achternaam verdachte]
Voornamen: [voornaam]
Geslacht : man
Geboortedatum: [geboortedatum]-1956
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
adres : [a-straat 1]
Postcode : [postcode]
Woonplaats : [woonplaats]
Nationaliteit : Nederlandse
Telefoonnummer1 : 06[001]
Telefoonnummer:
Verklaart te hebben ontvangen:
Dokument: Rijbewijs
Omschrijving: Nederlands rijbewijs
Dokumentnummer: [002]
RekeningNr: BE
Voertuig: Personenauto
Kenteken: [AA-00-BB]
Merk: Mercedes
Type: 300
anders namelijk: Ondergetekende is de verbalisant die de genoemde zaken te weten het rijbewijs en het voertuig hebben ingenomen ter voldoening van een aantal openstaande boetes. Dit formulier is aan de betrokkene [klager] meegegevena als ontvangst bewijs voor de genoemde goederen
Delft, dinsdag 23 juni 2009"
3.4. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:
"De raadsman van klager verklaart ter zitting, verkort en zakelijk weergegeven:
De auto van klager is in beslag genomen, maar er bestaat onduidelijkheid over de titel van het beslag. Daarover is reeds contact geweest met de CVOM (Centrale Verwerking Openbaar Ministerie) en met het Openbaar Ministerie, maar van die instanties is weinig respons gekomen. Klager is taxichauffeur en hij kan nu als gevolg van het beslag niet werken en hij geniet zo lang dus ook geen inkomsten. Een beklag ex artikel 552a Sv is voor zover de raadsman bekend het enige rechtsmiddel dat klager ter beschikking staat om tegen het beslag op te komen.
Op de vraag van de rechter of mogelijk sprake is van verhaal krachtens dwangbevel antwoordt de raadsman dat de auto als drukmiddel is ingezet opdat verzoeker openstaande boetes voldoet, zodat in materiële zin sprake is van beslag. Desgevraagd bericht de raadsman dat hij de correspondentie met het CJIB niet bij zich heeft.
De officier van justitie voert het woord en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beklag. Ter ondersteuning daarvan voert zij aan dat uit het dossier niet blijkt dat de auto van klager onder de titel van artikel 94 Sv Pro of artikel 94a Sv in beslag is genomen. Tegen klager loopt ook geen strafrechtelijk onderzoek. Er is dan ook geen sprake van een beslag ex artikel 552a Sv. Zij heeft van het CJIB (Centraal Justitieel Incasso Bureau) begrepen dat de auto is ingenomen omdat klager nog openstaande boetes moet voldoen.
De rechter brengt naar voren dat zij zal moeten bepalen of een beklag ex artikel 552a Sv het juiste middel is om tegen dit beslag op te komen. Het moet echter, hoe dan ook, voor klager mogelijk zijn om tegen het beslag op te komen. Zij kan zich voorstellen dat de dat de ontstane situatie voor klager onbevredigend is.
Op een vraag van de rechter antwoordt de officier van justitie dat zij zich nog één keer zal inspannen om de grondslag van het beslag te achterhalen en dat zij klager hierover zal informeren, zodat hij, als het onderhavige beklag wordt afgewezen, de mogelijkheid heeft om via de daarvoor geëigende weg tegen de inname van de auto op te komen."
3.5. De bestreden beschikking luidt als volgt:
"(...)
De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van politiekorps Haaglanden met proces-verbaalnummer: PL1581/2009/15640-5.
(...)
Beoordeling van het beklag.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift. Het klaagschrift is tijdig ingediend.
Vast staat dat bedoelde auto klager in eigendom toebehoort en dat deze op 23 juni 2009 onder klager is ingenomen ter voldoening van een aantal openstaande boetes.
Naar het oordeel van de rechtbank rust er geen beslag in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering op de auto en derhalve dient de rechtbank klager wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beklag.
De rechtbank beslist mitsdien als volgt.
Beslissing.
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag."
3.6. Uit de hiervoor weergegeven stukken rijst bij mij het beeld dat niemand eigenlijk weet wat voor soort beslag er op de auto van de klager is gelegd. De aan de Hoge Raad gezonden stukken bieden daaromtrent ook geen uitsluitsel. Ook rijst het beeld dat niemand echt de moeite heeft genomen om uit te zoeken om wat voor beslag het gaat. Het zou, zoals de steller van het middel aanvoert, inderdaad kunnen gaan om een beslag in het kader van de WAHV. Een aanwijzing daarvoor kan gevonden worden in de opmerking in het 'bewijs van ontvangst' dat het gaat om een inname wegens een aantal openstaande boetes en in namens mij bij Domeinen Roerende Zaken ingewonnen informatie. Daaruit volgt namelijk dat Domeinen op 31 juli 2009 van het CJIB opdracht heeft gekregen om de auto te verkopen, aan welke opdracht inmiddels gevolg is gegeven. Kennelijk gaat het om een beslag ten aanzien waarvan het CJIB beslissingsbevoegdheid heeft. Dat zou inderdaad een beslag kunnen zijn dat in het kader van de WAHV is gelegd, maar dat hoeft niet. Het CJIB heeft ook taken buiten de WAHV. Indien het beslag wel ziet op een WAHV-feit, zou de klager de weg van art. 33 WAHV Pro hebben moeten volgen.
3.7. Wat daar ook van zij, ik meen dat het aan de Rechtbank was daaromtrent duidelijkheid te (laten) verschaffen. In cassatie is daarvoor geen plaats. Dat betekent dat de Rechtbank, indien zij van oordeel is dat geen sprake is van een beklag in de zin van art. 552a Sv (of enig ander beklag ten aanzien waarvan zij bevoegd is), niet de klager niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar zichzelf onbevoegd. Daarbij had de Rechtbank dan moeten bepalen dat de griffier de stukken zal doorzenden naar de bevoegde instantie(1).(2) Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking behoren te leiden.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Welke instantie dat is, is aan de hand van de aan de Hoge Raad toegezonden stukken zoals gezegd niet vast te stellen.
2 Analoog aan HR 23 november 1993, NJ 1994, 263 en 264 m.nt. Van Veen; HR 30 juni 1998, NJ 1999, 136. Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 6e druk, p. 792-793 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e druk, p. 39-43.