1 Vooral ontleend aan de rov. onder het kopje "Feiten" uit de beschikking in de eerste aanleg. In de beschikking in hoger beroep worden de in eerste aanleg vastgestelde feiten "overgenomen" (zie de overweging onder het kopje "Procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten). Voor de gang van zaken in appel put ik uiteraard uit de in appel gegeven beschikking.
2 Deze regeling voorzag ook nog in een voorziening waarbij partijen bepaalde reserveringen voor sommige uitgaven voor de kinderen "opzij legden". Voor de beoordeling in cassatie is deze voorziening niet van belang.
3 In het namens [de man] betoogde wordt dan telkens verwezen naar de omstandigheden ten tijde van het (aangaan van het) echtscheidingsconvenant. Er wordt van weerszijden geen punt van gemaakt dat de alimentatieverplichtingen zoals die golden ten tijde van het inleidend verzoek, inmiddels (mede) werden bepaald door de nadere overeenkomst van partijen waar ik in alinea 2, derde "gedachtestreepje", naar verwees.
4 Aldus een namens beide partijen aan het hof gerichte brief, stuk nr. 15 in het A-dossier.
5 Er werden 18 grieven aangevoerd, toegelicht in 153 alinea's tekst.
6 Met dien verstande dat het hof bepaalde dat in de tussentijd méér betaalde alimentatie niet terug behoeft te worden betaald. De ingangsdatum heeft daardoor vooral deze betekenis, dat de inmiddels geldende alimentatie alweer driemaal naar rato van de "wettelijke" indexering is verhoogd
7 Ik meen overigens dat dat op meer plaatsen het geval is dan ik zo-even heb aangewezen.
8 Het valt immers op dat in deze overweging van het hof ook "..de standpunten...van de moeder" een veeg uit de pan lijken te krijgen.
Ik wil niet onvermeld laten dat de processtukken wat mij betreft voor deze diskwalificatie aan het adres van (de rechtshulpverlener van) [de vrouw], geen enkele steun bieden.
9 Zie ook alinea 12 van het principale middel en alinea's 1 - 3 van het verweerschrift in het incidentele cassatieberoep.
10 Namens [de vrouw] was er in appel, volgens mij: met recht, op gewezen dat tussen partijen vast stond dat de voor de beoordeling van de alimentatieverplichtingen relevante omstandigheden waren gewijzigd sedert die verplichtingen werden vastgesteld, en dat dus herwaardering van de voor de alimentatieverplichting(en) bepalende omstandigheden moest plaatsvinden (Personen- en Familierecht (losbl.), Wortmann, art. 401, aant. 4a; T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3 ,4 en 5, Koens, 2009, art. 1:401, aant. 3 (slot); Asser/De Boer I*, 2010, nr. 1044 (p. 928); HR 19 januari 2007, NJ 2007, 60, rov. 3.4). In aansluiting hierop was van haar kant betoogd dat een belangrijk deel van de grieven, omdat die niet zagen op de inmiddels voor de alimentatieverplichting(en) bepalende omstandigheden, als niet terzake dienend moest worden aangemerkt.
11 Die het hof dus kennelijk ook niet als ontoelaatbaar onduidelijk beoordeelt - een nadere steun voor de hiervóór verdedigde uitleg van de beslissing van het hof.
12 In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel staat op p. 2 onder het kopje "Mr. P.C. Burger" een uitlating van dezelfde strekking.
13 Het stuk zou immers bij brief van 2 oktober 2009 (zie overigens alinea 20 hierna) zijn overgelegd, terwijl de mondelinge behandeling op 16 oktober 2009 heeft plaatsgehad. Dan zou er toch van de kant van [de vrouw] een specifiek op dit punt gericht bezwaar in appel moeten zijn aangevoerd. Er wordt niet beweerd dat dat gebeurd zou zijn.
14 Ik denk dan aan de rechtspraak zoals die bijvoorbeeld blijkt uit HR 22 februari 2008, NJ 2008, 124, rov. 3.2 en HR 7 december 2001, NJ 2003, 76 m.nt. Asser, rov. 3.5.
15 Asser/De Boer I*, 2010, nr. 622 (p. 508).