ECLI:NL:PHR:2011:BQ3661

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04277 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 116 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beklag inzake teruggave inbeslaggenomen KLM- en Schiphol-passen

In deze zaak klaagt klager over de inbeslagneming en de weigering tot teruggave van een KLM-pas en een Schiphol-pas. De rechtbank verklaarde het beroep van klager niet-ontvankelijk, omdat de passen inmiddels aan de respectievelijke eigenaars zijn teruggegeven en vernietigd. Klager stelde dat hij belang had bij teruggave, onder meer vanwege onderhandelingen met zijn werkgever.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat geen KLM-pas inbeslaggenomen was, maar dat klager geen belang meer had bij teruggave omdat hij inmiddels een vervangende pas had ontvangen. Ten aanzien van de Schiphol-pas overwoog de Hoge Raad dat het beklag het karakter heeft van een beklag tegen het voornemen van de officier van justitie om de pas aan een ander dan klager terug te geven. De rechtbank had niet de juiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van de teruggave, maar aangezien de pas inmiddels is teruggegeven en vernietigd, heeft klager ook hier geen belang meer.

De Hoge Raad concludeert dat hoewel de middelen slagen, zij niet leiden tot cassatie omdat klager geen belang meer heeft bij de vordering. De zaak wordt daarmee afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt verworpen wegens gebrek aan belang bij teruggave van de passen.

Conclusie

Nr. 09/04277 B
Mr. Aben
Zitting 12 april 2011
Aanvullende conclusie inzake:
[Klager]
1. Ter zitting van 4 januari jongstleden concludeerde ik in dit cassatieberoep tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn cassatieberoep. Geklaagd is over de inbeslagneming en weigering tot teruggave aan de beslagene van een KLM-pas en een Schiphol-pas. Deze passen zijn na teruggave aan KLM, respectievelijk Schiphol vernietigd. Om die reden concludeerde ik dat de klager geen belang meer had bij zijn cassatieberoep tegen de afwijzende beschikking van de rechtbank.
2. In zijn beschikking van 29 maart jongstleden oordeelde de Hoge Raad, anders dan ik, dat de klager wel kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep. De Hoge Raad overwoog in dat verband dat er thans in cassatie van moet worden uitgegaan dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 116, derde lid, Sv. Het moet er onder die omstandigheden voor worden gehouden dat deze teruggave nog niet heeft plaatsgevonden en dat het onderhavige beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het nog niet geëffectueerde voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van artikel 116 Sv Pro de inbeslaggenomen voorwerpen te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, te weten in dit geval: de klager (vgl. HR 30 januari 1996, LJN AD2480, NJ 1996/526). De omstandigheid dat de passen inmiddels zijn vernietigd maakt dat, aldus de Hoge Raad, niet anders.
3. Nu de Hoge Raad van oordeel is dat de voorgestelde middelen bespreking behoeven, heeft hij mij de gelegenheid geboden om mij alsnog uit te laten over de middelen. Dat zal ik hierbij doen.
4.1. Het eerste middel klaagt over het uitblijven van teruggave van de KLM-pas.
4.2. Uit door mij ingewonnen informatie blijkt dat desbetreffende KLM-pas inderdaad in beslag is genomen. Daardoor berust de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank bij de bestreden beschikking op feitelijk onjuiste gronden. In zoverre moet het middel slagen. Niettemin behoeft zulks niet tot cassatie te leiden, aangezien ik niet kan inzien welk belang de beslagene bij gegrondverklaring van het middel heeft. In het middel wordt (onder verwijzing naar een zich onder de stukken bevindende brief) aangevoerd dat het belang bij teruggave aan de klager is gelegen in de mogelijkheid om over deze pas te beschikken bij zijn onderhandelingen met zijn werkgever over de eventuele hervatting van zijn werkzaamheden. De KLM-pas, dat staat buiten kijf, behoort niet hem maar de KLM toe. De door mij ingewonnen inlichtingen leren mij dat de klager inmiddels de beschikking heeft gekregen over een vervangende KLM-pas (ik mag in dit verband wel verwijzen naar 3.4 van mijn conclusie d.d. 4 januari jongstleden), zodat reeds is voorzien in hetgeen door hem werd beoogd.
4.3. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden.
5.1. Het tweede middel klaagt over het uitblijven van een last tot teruggave van de Schiphol-pas.
5.2. De rechtbank heeft kort gezegd overwogen dat de gronden voor inbeslagneming onverminderd aanwezig zijn en de voortzetting van het beslag rechtvaardigen. Zulks laat volgens de rechtbank een verdergaande belangenafweging niet toe. Inmiddels moet binnen het bestek van deze procedure worden aangenomen dat de officier van justitie voornemens is de Schiphol-pas terug te geven aan Amsterdam Airport Security (hierna: Schiphol). Daaruit volgt dat naar het oordeel van het openbaar ministerie de gronden voor inbeslagneming zijn komen te vervallen, zodat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Aan dit oordeel is de beklagrechter gebonden, zodat de rechtbank (met de kennis van de huidige omstandigheden) teruggave van de Schipholpas aan de beslagene zal moeten gelasten, tenzij teruggave van het voorwerp aan de derde (Schiphol) op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is.
5.2. In zoverre slaagt het middel dus, want de rechtbank heeft - bij nader inzien - niet de juiste maatstaf toegepast. Dit zou moeten leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak. Of de thans reeds geëffectueerde teruggave van de Schiphol-pas aan Schiphol op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is betreft een oordeel dat verweven is met waarderingen van feitelijke aard, waarvoor de cassatierechter niet geëquipeerd is. De Hoge Raad kan dus niet reeds thans doen wat de rechtbank had behoren te doen.
5.3. Wederom vraag ik mij echter af welk belang met cassatie is gediend. Een Schiphol-pas (als ook de KLM-pas) vertegenwoordigt vrijwel geen geldelijke waarde in het maatschappelijk verkeer. Een dergelijke pas geeft toegang tot bepaalde ruimten en de eigenaar daarvan (en niemand anders) is bevoegd die toegang te verlenen c.q. te ontzeggen. Zo'n pas verschilt functioneel niet van een aan een ander toebehorende, uitgeleende sleutel. Aangezien de Schipholpas is teruggegeven en vernietigd staat de klager m.i. niets anders te doen dan Schiphol te verzoeken om de verstrekking van een nieuwe pas, zo Schiphol daartoe genegen is. Een door de rechtbank gegeven bevel tot teruggave van de pas, waartoe het beklag strekt, dwingt Schiphol immers niet om de klager toegang te verstrekken tot de ruimtes waartoe de inmiddels vernietigde pas de klager toegang gaf. Hooguit zal de klager zich vervolgens kunnen wenden tot de civiele rechter met het oog op schadevergoeding.
5.4. Ofschoon beide middelen slagen hoeven zij m.i. niet tot cassatie te leiden.
6. Ambthalve gronden die tot vernietiging van de bestreden beschikking zouden behoren te leiden heb ik niet aangetroffen.
7. Deze aanvullende conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden