ECLI:NL:PHR:2011:BQ2215

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01434
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontbinding huurovereenkomst en veroordeling tot betaling achterstallige huur

De zaak betreft een cassatieberoep van eiseres tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin het hof het vonnis van de rechtbank Amsterdam heeft bekrachtigd. Dit vonnis betrof de ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot een woning en de veroordeling van eiseres tot betaling van achterstallige huurtermijnen, contractuele rente en boete aan verweerster.

Eiseres stelde dat zij met het overleggen van kopieën van kwitanties voldoende bewijs had geleverd van betaling van de huurpenningen, behoudens tegenbewijs. Het hof oordeelde echter dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat de kwitanties authentiek waren, mede omdat zij de originele kwitanties niet had overgelegd en verweerster gemotiveerd had betwist dat zij deze had ondertekend.

De Hoge Raad concludeert dat de klachten van eiseres niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft het bewijsaanbod van eiseres terecht verworpen omdat de stelling dat verweerster het geld kwam ophalen en kwitanties tekende onvoldoende concreet was. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest dat de ontbinding van de huurovereenkomst bevestigt en eiseres veroordeelt tot betaling van achterstallige huur, rente en boete blijft in stand.

Conclusie

10/01434
Mr L. Strikwerda
Zt. 15 april 2011
conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het (tijdig) door eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 27 oktober 2009. Bij dit arrest heeft het hof in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Hilversum, van 17 september 2008 bekrachtigd, voor zover daarbij de ontbinding van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot een woning c.a. is uitgesproken. Voorts heeft het hof, met vernietiging in zoverre van dat vonnis en in zoverre opnieuw recht doende, [eiseres] veroordeeld tot betaling aan thans verweerster tot cassatie, hierna: [verweerster], van - kort gezegd - achterstallige huurtermijnen, de contractuele rente daarover en de contractuele boete.
2. Het cassatieberoep berust op één middel. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
3. De in het middel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. Het middel bevat, als ik het goed zie, acht klachten.
5. De eerste klacht (onder 8) verwijt het hof - in r.o. 2.10 - te hebben miskend dat, hoewel volgens het huurcontract zelf [verweerster] haar bankrekeningnummer heeft opgegeven waarop de huur kon worden overgemaakt, [verweerster] steeds contant de huurpenningen heeft ontvangen en daartegen op geen enkele manier bezwaar heeft gemaakt. Volgens de klacht volgt hieruit dat [verweerster] aan haar bestendige gedragslijn is gebonden, zodat aan de door [eiseres] in het geding gebrachte kwitanties, anders dan het hof ten onrechte heeft geoordeeld, het rechtsvermoeden van betaling toekomt.
6. De klacht stuit af op het feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof - in r.o. 2.11 en 2.12 - dat [eiseres] zonder afdoende verklaring niet de originele kwitanties heeft overgelegd en haar door [verweerster] gemotiveerd bestreden stelling dat [verweerster] de kwitanties heeft ondertekend, (daarom) onvoldoende heeft onderbouwd.
7. De tweede klacht (onder 9), en de derde klacht (onder 10) borduren met hun stelling dat [eiseres] door het overleggen van kopieën van kwitanties, wèl aan haar stelplicht heeft voldaan en dat [eiseres] geacht moet worden, behoudens tegenbewijs door [verweerster], wèl de huurpenningen te hebben voldaan, voort op de eerste klacht. Zij stranden op dezelfde grond als de eerste klacht.
8. De vierde t/m zevende klacht (resp. onder 11 t/m 14) bouwen rechtstreeks voort op de daaraan voorafgaande klachten en moeten het lot daarvan delen.
9. De achtste klacht (onder 15) klaagt dat het hof het bewijsaanbod van [eiseres] van haar stelling dat [verweerster] het geld kwam ophalen en tegen overgifte van het geld een kwitantie tekende, op onjuiste gronden heeft verworpen.
10. De klacht faalt, nu het hof - in r.o. 2.12 - heeft geoordeeld dat, nu [eiseres] zonder afdoende verklaring niet de originele kwitanties heeft overgelegd, de enkele stelling van [eiseres] dat [verweerster] maandelijks de huurbetalingen kwam ophalen en daarbij de door [eiseres] opgestelde kwitanties ondertekende, onvoldoende concreet is. Uitgaande van dit oordeel kon het hof zonder schending van enige rechtsregel aan het bewijsaanbod van [eiseres] voorbijgaan.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,