ECLI:NL:PHR:2011:BQ1978
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vordering legitimatiebewijs door politie bij verdachte in verband met woninginbraken
In deze zaak werd verdachte aangehouden nadat de politie hem had gevraagd zijn legitimatiebewijs te tonen tijdens een nachtelijke controle bij een tankstation in Hendrik-Ido-Ambacht. De politie voerde extra controles uit vanwege een toename van woninginbraken in de gemeente. Verdachte bevond zich in een voertuig met twee andere personen die antecedenten hadden voor diefstal en inbraak, waarvan één bestuurder aangaf eerder te zijn aangehouden met een breekijzer in de auto.
De verdediging voerde aan dat de vordering van het legitimatiebewijs niet rechtmatig was, omdat de situatie niet viel onder de limitatief opgesomde omstandigheden in de Aanwijzing Uitbreiding Identificatieplicht en dat de politie lichtzinnig had gehandeld. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof het oordeel dat de vordering redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitoefening van de politietaak niet onbegrijpelijk had gemotiveerd, mede gelet op de opdracht tot extra controles en de concrete omstandigheden.
Daarnaast werd overwogen dat het vragen naar de identiteit van verdachte na het niet kunnen tonen van een legitimatiebewijs rechtmatig was. De verklaring van verdachte bij het verhoor werd niet als bewijs gebruikt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van het handelen van de politie in deze zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van de vordering van het legitimatiebewijs en verwerpt het cassatieberoep.