3.6 In het eindarrest van 8 december 2009 bespreekt het Hof uitvoerig het bewijsmateriaal. Het komt tot de slotsom dat het bewijs niet is geleverd:
"2.4 Na de toenmalige schoorsteenbrand heeft [verweerder] een offerte aan [eiser] gestuurd, gedateerd december 1989. Die offerte vermeldt naast benodigd materiaal 'sloopwerk onderbouw', 'sloopwerk in de schoorsteen boven', 'herstel open haard' en 'herstel bovenbouw'. De offerte sluit op NLG 12.561,- inclusief BTW.
Dit bedrag is met inbegrip van de verschuldigde BTW aan [eiser] in rekening gebracht bij factuur dd. 31 december 1991, onder vermelding van 'herstel schoorsteenbrand' en 'volgens prijsopgaaf'.
De werkzaamheden uit 1995/1996 heeft [verweerder] op 1 maart 1996 aan [eiser] gefactureerd. De factuur maakt melding van 23 manuren en materiaalkosten, waaronder 2,16 m² 90 mm steenwol, en sluit op een bedrag groot NLG 1.811,99 inclusief BTW.
2.5 Van de zes getuigenverklaringen die ten overstaan van het hof zijn afgelegd aan de zijde van [eiser], gaat alleen de verklaring van [eiser] direct over de werkzaamheden van [verweerder].
[eiser] heeft als getuige verklaard dat na een schoorsteenbrand eind 1989 begin 1990 het gehele rookkanaal moest worden vervangen. [verweerder] heeft, aldus de getuige voorts, het rookkanaal in 1990 vervangen. Om het nieuwe rookkanaal aan te brengen heeft [verweerder] de koof waarin het rookkanaal liep verwijderd en daarna weer teruggeplaatst. Die werkzaamheden zijn in de offerte aangeduid met de woorden 'herstel bovenbouw'. Hij heeft deze werkzaamheden van [verweerder] zelf niet gevolgd. Rond de jaarwisseling 1995/1996 is een inzethaard geplaatst door [verweerder] en aangesloten op het bestaande rookkanaal. [eiser] heeft een gedeelte van die werkzaamheden van [verweerder] meegemaakt.
2.6 De getuigenverklaringen die aan de zijde van [verweerder] in eerste aanleg zijn afgelegd gaan eveneens direct over de werkzaamheden die door [verweerder] zijn uitgevoerd. De getuige [verweerder 3] heeft uit eigen waarneming verklaard dat zijn aannemersbedrijf indertijd, hij denkt in de jaren '90, werk heeft verricht bij [eiser] na een schoorsteenbrand. Er liep in die tijd, aldus deze getuige, een schoorsteenbuis van onder tot boven. De buis was bij een bocht beschadigd, er moest een nieuwe bocht in. Omdat alleen nog maar roestvrij stalen buizen leverbaar waren, moest de hele schoorsteenpijp worden vervangen. [betrokkene 4] heeft dat gedaan, zijns inziens een secuur mannetje, en hij, [verweerder], heeft af en toe gekeken. Boven zat de buis met beugels geschroefd aan de kap, daar is helemaal geen hout gebruikt. [betrokkene 4] heeft hem verteld dat [eiser] er altijd met zijn neus boven op stond, als [betrokkene 4] daar werkte.
De getuige [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij sinds 1986 bij [verweerder] werkzaam is als timmerman en dat hij voor [verweerder] in opdracht van [eiser] werkzaamheden heeft verricht in de boerderij van [eiser]. Hij heeft samen met zijn collega [betrokkene 5] een rookkanaal vernieuwd. Hij heeft dat rookkanaal volgens de bijgeleverde instructies van de fabrikant bevestigd met beugels en centreerplaten voor de vloer. Bij een rookkanaal wordt altijd een instructie geleverd, aldus deze getuige, en hij leest altijd de instructie door. Hij werkt altijd zo. De centreerplaten waren twee vlakke platen van roestvrij staal met daarin uitsparingen in de vorm van een halve maan. Die platen schuif je over elkaar heen, aldus de getuige [betrokkene 4], waardoor de pijp in het midden vast komt te zitten. De pijp is door het plafond van de begane grond gegaan. De pijp was helemaal glad, toen deze werd geplaatst. De schouw van de open haard op de begane grond was doorgemetseld tot het plafond. De centreerplaten lagen op de vloer van de eerste verdieping en rustten daarop. De getuige [betrokkene 4] schat de afstand tussen de wand van het rookkanaal en het begin van de verdiepingsvloer op ruim genoeg, hij kon daar met zijn armen rondom tussendoor. Hij heeft als vuurbestendig isolatiemateriaal vermiculiet gebruikt. Dat hebben zijn collega en hij vermengd met cement en water. Het mengsel hebben zij van boven naar beneden gestort in de schouw om de pijp heen.
De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij vanaf 1988 of 1989 tot en met 1991 als timmerman bij [verweerder] heeft gewerkt. Hij weet nog dat hij samen met [betrokkene 4] in de boerderij van [eiser] een nieuwe schoorsteenpijp heeft geplaatst. De pijp moest worden vervangen vanaf de open haard tot de schoorsteen. Daarvoor moest de pijp door het plafond van de begane grond/de eerste verdiepingsvloer heen. De pijp is bij de verdiepingsvloer met centreerplaten bevestigd en met beugels aan de kant. Het meeste werk was van [betrokkene 4]. Verder zijn er brandwerende korrels gebruikt.
2.7 Naar het oordeel van het hof kan uit de verklaring van de getuige [eiser] geen bewijs worden ontleend voor de tekortkomingen die hij [verweerder] verwijt. Dat geldt zowel voor de werkzaamheden die in 1989 of daaromtrent zijn uitgevoerd, als voor de werkzaamheden die in 1995 (of 1996) zijn uitgevoerd.
Ook de tekst van de in het geding gebrachte facturen baat [eiser] niet althans niet voldoende. De woorden "herstel bovenbouw" zijn te weinig onderscheidend om aan te nemen dat deze betrekking hebben op herstel van een koof. Alleen aan de verklaring van [eiser] kan verder worden ontleend dat met 'bovenbouw' de koof zou zijn bedoeld.
Aan de verklaring van in het bijzonder de getuige [betrokkene 4] kan wat betreft in 1989 of daaromtrent uitgevoerde werkzaamheden tegenbewijs worden ontleend. Uit die verklaring kan immers worden afgeleid dat zodanige ruimte rond het rookkanaal is vrijgelaten bij de doorvoer naar de eerste verdieping dat [betrokkene 4] er met zijn arm doorheen kon, dat het rookkanaal centrisch in de uitsparing in de verdiepingsvloer is aangebracht, dat centreerplaten zijn aangebracht alsmede dat het rookkanaal door [verweerder] niet is omtimmerd.
Dat betekent dat het hof op basis van het tot nu toe besproken directe bewijsmateriaal de lezing die [eiser] ingang wil doen vinden niet kan vaststellen, noch die uit 1989 of daaromtrent noch die uit 1995 (of 1996).
2.8 Het hof heeft dus te onderzoeken of aan het overige, indirecte bewijsmateriaal het van [eiser] verlangde bewijs kan worden ontleend. Vooropgesteld zij bij de bespreking van dit indirecte bewijsmateriaal dat dit niet zonder betekenis is, maar dat, gelet op de interpretatie die daaraan te pas komt, behoedzaamheid past.
Volgens [eiser] is in de toestand van het rookkanaal sedert de aanleg in 1989 respectievelijk 1995 (of 1996) geen wijziging gebracht. De toestand die bij gelegenheid van de brand in 2001 werd aangetroffen is volgens [eiser] de toestand die [verweerder] met haar werkzaamheden tot stand heeft gebracht. Centraal staat voor [eiser] in dit verband dat de koof om het rookkanaal die bij gelegenheid van de brand werd aangetroffen er ook al in 1989 was. Die kwestie zal het hof daarom afzonderlijk bespreken.
2.9 [eiser] is in eerste aanleg eveneens als getuige gehoord. Hij heeft toentertijd verklaard dat hij, toen het werk van [verweerder] in 1989 klaar was, met [verweerder] heeft gesproken over het behang van de koof op de eerste verdieping. In de boerderij was destijds op de eerste verdieping een koof, een omkasting. Die koof zat er al toen hij de boerderij kocht. De koof is door [verweerder] kennelijk voor zijn werkzaamheden weggehaald en later weer teruggeplaatst, aldus de getuige. De pijp in de koof heeft hij niet geïnspecteerd want die was niet te zien.
In 1995 is de koof op de eerste verdieping er ook af geweest bij de werkzaamheden van [verweerder]. Toen het werk klaar was, heeft hij met [verweerder] nog over het behang op de koof van de slaapkamer gesproken. De koof was toen nog dichtgetimmerd.
[betrokkene 4] heeft in eerste aanleg als getuige verklaard dat er geen koof of schot om de pijp zat en dat hij en zijn collega dat ook niet hebben gemaakt. Op de vraag of er in 1989 vanaf de eerste verdiepingsvloer een ombouw rond de schoorsteenbuis zat, heeft de getuige [verweerder 3] ontkennend geantwoord; hij heeft toegevoegd dat de buis vast zat met beugels.
De getuige [betrokkene 5] had aan een en ander geen herinnering. Hij durft verder niet te zeggen of er een koof of schot om de pijp liep toen zij daar kwamen of toen zij daar weggingen.
2.10 Aan dit samenstel van getuigenverklaringen kan niet het bewijs worden ontleend dat de koof al aanwezig was ten tijde van de vervanging van het rookkanaal dan wel ten tijde van de plaatsing van de inzethaard.
De verklaring van [eiser] staat op zichzelf. Aan de door [verweerder 3] en [betrokkene 4] afgelegde verklaringen kan tegenbewijs worden ontleend. Daar komt bij dat de facturen uit 1991 en 1996 onvoldoende houvast bieden voor de door [eiser] gewenste gevolgtrekking, zowel op het punt van het aantal manuren als op het punt van de materiaalkosten. Hetgeen in de factuur uit 1991 is vermeld valt ook in overeenstemming te brengen met de stelling van [verweerder] dat [verweerder] alleen het rookkanaal zou vervangen en [eiser] zelf zou zorgdragen voor omtimmering van het rookkanaal. Hetgeen in de factuur van maart 1996 is vermeld valt in overeenstemming te brengen met de stelling van [verweerder] dat zij slechts een door [eiser] aangeleverde inzethaard met bijbehorende materialen zou plaatsen (conclusie van antwoord onder 11). Dat [eiser] de boerderij heeft gekocht met twee kamers op de eerste verdieping houdt verder niet noodzakelijkerwijs in dat het rookkanaal van een koof was voorzien. Dat geldt ook als in aanmerking wordt genomen dat verschillend wordt verklaard over het aantal kamers dat in 1989 op de eerste verdieping van de boerderij was gerealiseerd.
Aan de verklaring van de getuige [betrokkene 6] kan worden ontleend dat hij met een zekere regelmaat in de boerderij is geweest, ook in de relevante periode, en nimmer iets heeft gemerkt van verbouwingswerkzaamheden. Die verklaring laat echter de ruimte dat in de, naar moet worden aangenomen veelvuldige en lange, periodes tussen zijn bezoeken wel werkzaamheden zijn uitgevoerd. Aan de schriftelijke getuigenverklaringen van [betrokkene 6 en 7] kan verder worden ontleend dat vanaf maart 1996 niets is veranderd of verbouwd op de bovenverdieping van de boerderij. [betrokkene 6 en 7] verklaren evenwel niets over de periode voor maart 1996. Wat er is gebeurd in de periode 1989 tot maart 1996 blijft met die informatie ongewis.
2.12 Tot slot hebben partijen gedebatteerd over de vraag hoe [verweerder] de van haar verlangde werkzaamheden had behoren uit te voeren, in het bijzonder in 1989 of daaromtrent, in aanmerking genomen de regelgeving en NEN-normen die toentertijd golden alsmede in aanmerking genomen de voor het rookkanaal verstrekte productinformatie. Ook daaraan wil [eiser] bewijs ontlenen.
2.13 Bij de bespreking van deze kwestie zij vooropgesteld dat de getuigenverklaringen en het schriftelijk bewijsmateriaal geen toereikend aanknopingspunt bevatten voor de veronderstelling van [eiser] dat de vervanging van het rookkanaal pas in 1991 heeft plaatsgehad, ook zijn eigen verklaringen niet. Dat betekent dat het betoog van [eiser] in zover het gestoeld is op regelgeving respectievelijk normering die in 1991 is gaan gelden moet falen.
2.15 [eiser] heeft geen in 1989 of daaromtrent geldende regel of NEN-norm aangewezen die [verweerder] met haar handelwijze zou hebben geschonden.
2.16 Ook voor de toentertijd beschikbare productinformatie geldt dat zij geen thans relevant voorschrift bevat. Partijen zijn het erover eens dat de van de fabrikant afkomstige specificaties voor de opbouw van een Metaloterm-AT schoorsteenkanaal verschilden naar gelang het rookkanaal was voorzien van een omkokering of niet. Het desbetreffende door de fabrikant van het rookkanaal in 1985 uitgegeven productinformatieblad bevatte de volgende informatie :
"Centreerplaten ATCP
Toe te passen ter afsluiting bij doorvoeren. Niet toepasbaar in omkokering."
In 2008 geldt gewijzigde productinformatie, als volgt:
"Centreerplaten (code ATCP)
Deze gebruiken om sparingen bij dakdoorvoeren af te sluiten, Niet toepasbaar in een omkokering."
Nu in dit geding niet is vastgesteld dat het rookkanaal in 1989 of daaromtrent was voorzien van een koof, heeft [verweerder] in overeenstemming met de productinformatie gehandeld door de centreerplaten bij de vloerdoorvoer aan te brengen.
Dat betekent, de productinformatie in aanmerking genomen, dat aan [verweerder] niet het verwijt kan worden gemaakt dat zij ter hoogte van de vloerdoorvoer centreerplaten heeft aangebracht.
Voor zover [eiser] [verweerder] nog afzonderlijk verwijt dat zij in strijd met montagevoorschriften heeft nagelaten een omkokering aan te brengen, heeft te gelden dat blijkens de hierboven genoemde productspecificatie met een dergelijke omkokering werd beoogd om de noodzakelijke afstand tot brandbare materialen te waarborgen. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat bij de vloerdoorvoer geen toereikende afstand in acht werd genomen. Ook overigens heeft het hof niet kunnen vaststellen dat [verweerder] het rookkanaal heeft aangelegd met onvoldoende afstand tot brandbare materialen. Het ontbreken van omkokering kan daarom bezwaarlijk als oorzaak van de gestelde brandschade worden aanvaard.
2.17 De beschouwingen van [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en [betrokkene 1] als getuige en die van [betrokkene 11] op schrift baten [eiser] verder niet, de deskundigheid waarover zij zouden beschikken ten spijt.
Hun beredeneerde veronderstellingen gaan uit van feiten die in dit geding niet kunnen worden vastgesteld. In de kern komt het erop neer dat het hof aan de hand van hun bevindingen niet heeft kunnen vaststellen dat de toestand die [betrokkene 1] op foto's heeft vastgelegd, de toestand is die [verweerder] met haar werkzaamheden in 1989 of daaromtrent heeft gecreëerd.
2.18 Ook voor de in 1995 (of 1996) uitgevoerde werkzaamheden heeft te gelden dat het door [eiser] bijgebrachte indirecte bewijsmateriaal onvoldoende aanknopingspunt biedt. Alleen [eiser] heeft, als gezegd, iets over die werkzaamheden verklaard maar die verklaring bevat niets dat de door [eiser] aan [verweerder] gemaakte verwijten die inhielden dat zij teveel aan het bestaande rookkanaal had gewrikt, toereikend kan ondersteunen, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat intussen de toepasselijke regelgeving/normering was veranderd.
Aan het bijgebrachte bewijs kan in het bijzonder ook niet worden ontleend dat [verweerder] op de verdiepingsvloer in verband met het rookkanaal een brandgevaarlijke situatie heeft aangetroffen waarvoor hij als opdrachtnemer [eiser] had behoren te waarschuwen. [eiser] is er dus ook ten aanzien van de in 1995 (of 1996) uitgevoerde werkzaamheden niet in geslaagd het van hem verlangde bewijs te leveren.
2.19 Voorzover [eiser] heeft bedoeld om [verweerder] alsnog te verwijten dat zij ter hoogte van de vloerdoorvoer centreerplaten heeft aangebracht, heeft te gelden dat dit argument in dit geding te laat naar voren is gebracht. Dat verwijt verdient daarom geen verdere bespreking. Het verwijt is bovendien onverenigbaar met het verwijt aan [verweerder] dat zij geen centreerplaten heeft aangebracht.
2.20 Nu [eiser] er niet in geslaagd is om het van hem verlangde bewijs te leveren, is in dit geding niet komen vast te staan dat [verweerder] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van de aan haar door [eiser] opgedragen werkzaamheden."