ECLI:NL:PHR:2011:BQ1707
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling van gemeenschappelijke aanspraken na beëindiging affectieve relatie zonder gemeenschap van goederen
Partijen hadden een affectieve relatie en woonden samen. De vrouw vorderde een verklaring voor recht dat zij aanspraak kon maken op verdeling van gemeenschappelijke goederen en rechten, zoals nader omschreven door het hof.
Zowel de rechtbank als het hof wezen deze vordering af, omdat niet was komen vast te staan dat tussen partijen een gemeenschap van goederen bestond, hetzij van rechtswege, hetzij op basis van een overeenkomst. De vrouw had onvoldoende gesteld om dit aannemelijk te maken, waardoor het hof haar bewijsaanbod passeerde.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. Zij voerde aan dat ook niet-huwelijkse samenlevingsvormen voor vermogensrechtelijke afwikkeling gelijk behandeld moeten worden als huwelijkse relaties en dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod had gepasseerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat onvoldoende was gesteld om een gemeenschap aan te nemen en dat het bewijsaanbod terecht was gepasseerd. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw werd verworpen omdat onvoldoende was gesteld dat een gemeenschap van goederen bestond.