ECLI:NL:PHR:2011:BQ1695
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw
De zaak betreft een verzoeker die een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) heeft ingediend. De rechtbank Rotterdam wees dit verzoek af omdat zij oordeelde dat verzoeker niet te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan van een belangrijke schuld en niet had aangetoond dat hij de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle had gekregen. Verzoeker ging in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het vonnis van de rechtbank bekrachtigde.
Het hof overwoog dat omstandigheden zoals een fulltime baan, bijdrage van de partner aan aflossing en budgetbeheer niet opwogen tegen de ernst van de verwijtbaarheid van de schulden. Verzoeker stelde dat het hof artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro (Fw) onjuist had toegepast en onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op dit artikel werd afgewezen. Dit artikel geeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om een schuldsaneringsverzoek toe te wijzen ondanks het niet voldoen aan lid 1 onder b.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof een feitelijk oordeel heeft gegeven dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het hof heeft alle omstandigheden betrokken, waaronder de ernst van de verwijtbaarheid, en heeft dit voldoende gemotiveerd. Het oordeel is niet onbegrijpelijk, mede omdat de laatste boete vlak voor het verzoek tot toelating tot de schuldsanering is ontstaan. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende goede trouw.