ECLI:NL:PHR:2011:BQ0771

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02084 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416, tweede lid, SvArt. 457, eerste lid, aanhef en onder 2º, SvArt. 467, eerste lid, SvWet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling in onverzekerd motorrijtuigzaak

De aanvrager werd bij verstek veroordeeld wegens het niet verzekeren van een motorfiets waarvoor hij volgens het CJIB kentekenhouder was. Het Gerechtshof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. De aanvrager stelde dat hij niet de kentekenhouder was, maar een naam- en geboortedatumgenoot die in een andere woonplaats verbleef.

De aanvrage tot herziening werd onderbouwd met GBA-uittreksels en correspondentie van de RWD, waaruit bleek dat de werkelijke kentekenhouder een ander persoon met dezelfde naam en geboortedatum was, woonachtig op een ander adres. Dit leidde tot een onbedoelde persoonsverwisseling en onterechte vervolging van de aanvrager.

De Procureur-Generaal concludeerde dat deze feiten een ernstige aanwijzing vormen dat de Kantonrechter bij kennis hiervan de aanvrager zou hebben vrijgesproken. De Hoge Raad werd geadviseerd de herziening toe te wijzen, de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten en de zaak terug te verwijzen voor nieuwe behandeling, waarbij vrijspraak wordt verwacht.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herziening gegrond en verwijst de zaak voor nieuwe behandeling met verwachting van vrijspraak.

Conclusie

Nr. 10/02084 H
Mr. Hofstee
Zitting: 22 maart 2011
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. De aanvrager is bij verstekvonnis van de Kantonrechter te Haarlem van 21 augustus 2007 wegens "als bezitter van een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft aanvrager bij arrest van 25 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv.
2. Namens de aanvrager heeft mr. D.I. van Wel, advocaat te Hellevoetsluis, een aanvrage tot herziening van de onherroepelijk geworden uitspraak van de Kantonrechter ingediend.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat een ander dan de aanvrager kentekenhouder is geweest van de motorfiets met het kenteken [AA-00-BB], voor welke motorfiets geen aansprakelijkheidsverzekering was afgesloten.
4. De aanvrage is met bijgevoegde stukken onderbouwd en als volgt toegelicht. In een proces-verbaal van 2 november 2006 is gerelateerd dat volgens een door de RWD uitgevoerde registervergelijking op 19 juli 2006 (de controledatum) geen aansprakelijkheidsverzekering was afgesloten voor de motorfiets met het kenteken [AA-00-BB] (productie 5). Blijkens het proces-verbaal van 9 februari 2007 van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (verder: CJIB) is [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats A] en woonachtig in [woonplaats A] kentekenhouder van die motorfiets (productie 5), hetgeen bevestiging vindt in een schrijven van de RWD van 4 maart 2010 (productie 6). Het CJIB schrijft deze [aanvrager] op zijn woonadres in [woonplaats A] aan per brief van 29 januari 2007, en deelt hem mede dat hij tot uiterlijk 5 februari 2007 de gelegenheid krijgt telefonisch contact op te nemen met het CJIB, voor een af te leggen verklaring en dat anders, zo begrijp ik dit schrijven, de zaak wordt overgedragen aan het arrondissementsparket (productie 5). De zaak is inderdaad overgedragen aan het arrondissementsparket en de aanvrager - te weten [aanvrager], wonende te [woonplaats B], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats B] - wordt gedagvaard om op de terechtzitting van de Kantonrechter te verschijnen (productie 1).
5. De stelling in de aanvrage dat de aanvrager een andere [aanvrager] is dan de houder van de motorfiets met het kenteken [AA-00-BB] wordt onderbouwd met twee bijgevoegde afschriften van uittreksels uit de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA; producties 7 en 9). Uit dit een en ander blijkt dat:
- op 19 juli 2006 op het adres [a-straat 1] te [woonplaats A] (sinds zijn geboorte) stond ingeschreven [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats A] (productie 7);
- op 19 juli 2006 de aanvrager, [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats B], woonachtig was in [woonplaats C], adres onbekend (productie 9). Voorts blijkt niet uit dit uittreksel dat de aanvrager ooit woonachtig is geweest in [woonplaats A].
6. De onderhavige zaak laat zien tot welk een misverstand de toevalligheid van eenzelfde naam en geboortedatum van de betrokkenen kan leiden. Ik meen dat in de aanvrage en de bijgevoegde producties voldoende feiten naar voren zijn gebracht die duidelijk maken dat in deze zaak sprake is geweest van een onbedoelde persoonsverwisseling. Al op grond van de overgelegde GBA-overzichten (producties 7 en 9) en het schrijven van de RWD van 4 maart 2010 (productie 6) kan naar mijn oordeel de conclusie niet anders luiden dan dat niet de aanvrager maar zijn naam- en leeftijdgenoot [aanvrager], wonende te [woonplaats A], houder was van de motorfiets met het kenteken [AA-00-BB]. Dat betekent dat de aanvrager inderdaad ten onrechte is vervolgd en veroordeeld wegens het ten laste van hem bewezen verklaarde feit.
7. Het voorgaande vormt een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2º, Sv, een omstandigheid dus die het ernstige vermoeden wekt dat ware de Kantonrechter hiermee bekend geweest, hij de aanvrager zou hebben vrijgesproken.
8. Deze conclusie strekt er dan ook toe dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter te Haarlem van 21 augustus 2007 zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan. Overigens zou ik mij in dit bijzondere geval kunnen voorstellen dat de Hoge Raad bij wijze van herziening de zaak zelf afdoet, nu geen andere uitspraak dan vrijspraak zal kunnen volgen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG