ECLI:NL:PHR:2011:BP9995

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01306
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 3:14 BWArt. 3:1 lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over ontruimingsvonnis woonwagenstandplaats en toetsing misbruik executiebevoegdheid

In deze zaak staat een executiegeschil centraal over een ontruimingsvonnis dat de gemeente Drimmelen uitvoerbaar bij voorraad verklaard heeft. De huurovereenkomst betrof een woonwagenstandplaats die door betrokkene 1 werd gehuurd. Eiseres, die aanvankelijk zelf huurder was maar de standplaats had verlaten, woonde later met haar dochtertje in de woonwagen van betrokkene 1.

De kantonrechter had de huurovereenkomst ontbonden en betrokkene 1 veroordeeld tot ontruiming van de standplaats. Eiseres verzocht in kort geding om een verbod op ontruiming, maar dit werd afgewezen. Het hof bekrachtigde dit vonnis in hoger beroep. Eiseres kwam vervolgens in cassatie tegen het arrest van het hof.

Het cassatiemiddel betrof onder meer de vraag of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn op de executie door een bestuursorgaan en of de gemeente misbruik heeft gemaakt van haar executiebevoegdheid. De Hoge Raad oordeelde dat in executiegeschillen over een uitvoerbaar bij voorraad verklaard ontruimingsvonnis de rechter slechts de toelaatbaarheid van de wijze van executie mag toetsen aan de hand van het misbruikcriterium. De stellingen van eiseres leidden niet tot de conclusie dat de gemeente misbruik heeft gemaakt. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontruimingsvonnis blijft uitvoerbaar.

Conclusie

Zaaknr. 10/01306
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 25 maart 2011
Conclusie inzake:
[Eiseres]
tegen
1. de gemeente Drimmelen
2. het college van B & W van de gemeente Drimmelen
Deze zaak - betreffende een executiegeschil - leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Verweerster in cassatie onder 1, de gemeente, heeft bij huurovereenkomst van 5 april 2007 een woonwagenstandplaats gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] verhuurd aan [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] is de schoonvader van eiseres tot cassatie, [eiseres].
[Eiseres], die aanvankelijk de standplaats huurde maar deze begin 2007 heeft verlaten, is in de zomer van 2008 met haar dochtertje gaan wonen in de woonwagen van [betrokkene 1](1).
1.2 Bij ontruimingsvonnis van 24 juni 2009 heeft de kantonrechter te Breda de tussen de gemeente en [betrokkene 1] gesloten huurovereenkomst ontbonden en [betrokkene 1] veroordeeld de woonwagenstandplaats te ontruimen en te verlaten met al de zijnen en al het zijne. Het ontruimingsvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard(2).
1.3 [Eiseres] heeft bij inleidende dagvaarding van 20 juli 2009 in kort geding gevorderd dat het de gemeente wordt verboden de woonwagenstandplaats te ontruimen. Bij vonnis van 11 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter deze vordering afgewezen.
1.4 [Eiseres] is, onder aanvoering van drie grieven, van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 22 december 2009 heeft het hof de uitspraak waarvan beroep bekrachtigd.
1.5 [Eiseres] is tijdig(3) van dit arrest in cassatie gekomen.
1.6 Het cassatiemiddel, dat zeven paragrafen bevat, is gericht tegen rechtsoverweging 4.4.2, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
"Naar het oordeel van het hof heeft [eiseres] de beweerde schending van de algemene beginselen niet alleen onvoldoende onderbouwd, maar bovendien leiden haar stellingen, indien al juist, niet tot de conclusie dat de gemeente zich bij uitvoering van de ontruiming schuldig maakt aan misbruik van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het tegen [betrokkene 1] en de zijnen gewezen ontruimingsvonnis. Bij de toetsing of ontruimingsexecutie ontoelaatbaar is, geldt immers voormeld misbruikcriterium, onverschillig of [betrokkene 1] en de toetsing of - zoals hier - de executant een overheidslichaam is. De tenuitvoerlegging van de ontruimingsverplichting kan niet worden belemmerd met onderhavig beroep op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien miskent [eiseres] met haar betoog dat de door de kantonrechter uitgesproken (ontbinding en) veroordeling tot ontruiming in dit executiegeschil een gegeven is dat niet opnieuw ter discussie en beoordeling staat."
1.7 Het middel richt zich onder 1-3 tegen het oordeel van het hof omtrent de maatstaf voor toetsing van de rechtmatigheid van de executie. Het middel neemt daarbij tot uitgangspunt dat aan de (tweede en derde volzin van de) hiervoor geciteerde overweging de rechtsopvatting ten grondslag ligt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn in ontruimingsexecutiegeschillen tussen een overheidslichaam als executant en derden die zich zonder recht of titel tegenover het overheidslichaam in de woonruimte bevinden en klaagt vervolgens dat deze rechtsopvatting onjuist is. Volgens het middel dient de rechter in een dergelijk executiegeschil tussen deze derden en het overheidslichaam in beginsel aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te toetsen wanneer de derden in rechte een deugdelijk beroep op de schending hiervan hebben gedaan.
1.8 De klacht faalt.
Zoals het hof in rechtsoverweging 4.3.1 terecht en in cassatie onbestreden heeft overwogen, heeft de rechter in een executiegeschil over een uitvoerbaar bij voorraad verklaard ontruimingsvonnis - zoals in het onderhavige geval - slechts tot taak de toelaatbaarheid van de wijze van executie te beoordelen aan de hand van de voor misbruik van executiebevoegdheid geldende criteria.
Het middel vermeldt niet dat en op welke wijze de stellingen van [eiseres] leiden tot de conclusie dat de gemeente zich bij uitvoering van de ontruiming schuldig maakt aan misbruik van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging. Het hof heeft de regel dat privaatrechtelijk handelen van bestuursorganen mede aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is onderworpen(4), mitsdien niet miskend.
1.9 Het middel richt zich onder 4-7 tegen de eerste volzin van de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 4.4.2 en klaagt allereerst (onder 5, paragraaf 4 bevat geen klacht) dat het oordeel van het hof dat het betreffende ontruimingsvonnis werd gewezen tegen [betrokkene 1] en de zijnen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd. De door het hof genoemde "de zijnen" zijn volgens het middel nooit procespartij geweest en genoemd vonnis werd niet gewezen tegen "de zijnen".
1.10 Nu vaststaat dat [eiseres] in de door [betrokkene 1] gehuurde woonwagen woonde, omvat het tussen [betrokkene 1] en de gemeente gewezen ontruimingsvonnis met betrekking tot woonwagenstandplaats, mede het ontruimen en het verlaten van de woonwagen door [eiseres] als een van "de zijnen" van [betrokkene 1]. Niet vereist is dat het ontruimingsvonnis tegen [eiseres] als procespartij is gewezen.
1.11 Het middel klaagt voorts (onder 6 en 7) dat het oordeel van het hof dat [eiseres] de beweerde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onvoldoende heeft onderbouwd, onvoldoende dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof - samengevat - voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van [eiseres].
1.12 De onderdelen missen belang, nu het hof in rechtsoverweging 4.4.2 tevens heeft geoordeeld dat de stellingen van [eiseres], indien al juist, niet tot de conclusie leiden dat de gemeente zich bij uitvoering van de ontruiming schuldig maakt aan misbruik van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het tegen zijnen gewezen ontruimingsvonnis en tegen dit oordeel vergeefs wordt opgekomen (zie hiervoor onder 1.8).
1.13 Nu het middel in zijn geheel faalt, dient het cassatieberoep te worden verworpen. Dit kan m.i. met gebruikmaking van art. 81 RO Pro.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie het bestreden arrest, rov. 4.1.1-4.1.2.
2 Zie het bestreden arrest, rov. 4.1.3.
3 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 16 februari 2010.
4 Art. 3:14 BW Pro; art. 3:1 lid 2 Awb Pro; vaste rechtspraak, zie o.m. HR 7 mei 2005, LJN AO3860 (NJ 2005, 23).