1.3 In haar eindbeschikking van 12 november 2008 heeft de rechtbank in het kader van het subsidiaire verzoek van de man ex art. II lid 2 WLA onder meer als volgt overwogen:
"15. Uit wat door partijen over en weer gesteld hebben, moeten de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand beschouwd worden:
a. de vrouw is geboren op [geboortedatum] 1936 en is dus thans 72 jaar; de man is geboren op [geboortedatum] 1947 en is dus thans 61 jaar;
b. partijen zijn vanaf 8 februari 1974 tot 16 februari 1989, dus 15 jaar, met elkaar gehuwd geweest; toen het huwelijk van partijen ontbonden werd, was de vrouw 52 jaar oud;
c. uit het huwelijk van partijen zijn twee dochters geboren, [de dochters], die toen partijen feitelijk uit elkaar gingen, nog minderjarig waren en die de vrouw vanaf die tijd alleen heeft verzorgd en opgevoed;
d. de vrouw heeft voor haar huwelijk van haar 17e tot haar 38e als verpleegkundige gewerkt, maar tijdens het huwelijk niet; de door haar voor het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zijn door de vrouw afgekocht en de afkoopsom is in het huishouden opgegaan; ook de erfenis van circa fl 120.000, die de vrouw ontving uit de nalatenschap van haar ouders, is tijdens het huwelijk van partijen besteed.
e. na de ontbinding van het huwelijk op 16 februari 1989 is de vrouw weer als verpleegkundige gaan werken en heeft zij bij het ABP pensioenrechten opgebouwd en wel (in 2007) € 406,17 bruto per maand; daarnaast heeft zij nog een aanvullend pensioen bij Fortis van (in 2007) € 89,13 per maand en een volledig AOW-pensioen voor een ongehuwde; de vrouw heeft geen recht op voorzieningen die de man tijdens het huwelijk van partijen voor de oude dag heeft getroffen; ter aanvulling van haar financiële middelen heeft de vrouw, nadat de man de alimentatiebetalingen stop gezet had een kredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 25.000,--, waarvan zij in november 2007 € 13.000,-- had opgenomen;
f. medio oktober 1990 heeft de vrouw uit hoofde van een koopovereenkomst de eigendom verkregen van het pand [a-straat 1] te [plaats]; aan de aankoop van het pand heeft de man bijgedragen met een bedrag van fl. 142.450,00; nadien heeft de man bijdragen betaald voor onderhoudswerkzaamheden en verbouwingen en wel voor een bedrag van in totaal fl. 93.000,--; in 2002 heeft de man de vernieuwing van de balkons gefinancierd; op de hypotheek op het pand heeft de man een bedrag van fl. 10.000,-- voor de vrouw afgelost; in totaal heeft hij dus voor het pand van de vrouw circa € 116.000,-- betaald;
g. op het pand van de vrouw rust nog een hypotheek van € 85.000,--, waarvoor zij een rente verschuldigd is van € 310,76 per maand. De vrouw bewoont de parterre en de eerste étage van het pand; tot circa 2004 verhuurde zij de tweede étage aan een bejaard echtpaar, laatstelijk voor € 142,94 per maand; om de tweede étage weer te kunnen verhuren dient deze étage grondig opgeknapt te worden; de derde étage verhuurt de vrouw aan dochter [dochter 1] van partijen voor € 113,-- per maand;
h. de man heeft nooit de wettelijke indexering die hij over de vastgestelde alimentatie verschuldigd was, betaald en de vrouw heeft daarin totdat de man de alimentatiebetalingen gestaakt heeft, berust, omdat zij, naar zij ter zitting verklaard heeft, "genoeg" had aan de € 2.000,-- per maand die de man haar betaalde; ingevolge de wettelijke indexering bedroeg in 2007 de door de man te betalen alimentatie € 3.174,41 per maand; bij monde van haar advocaat heeft de vrouw inmiddels aan de man kenbaar gemaakt alsnog betaling van wat de man ingevolge de wettelijke indexering aan haar had dienen te betalen, te verlangen.
16. De uitkering tot levensonderhoud van de vrouw heeft meer dan 15 jaar geduurd, zodat de man in zijn subsidiaire verzoek tot beëindiging van de uitkering, eventueel op termijn, ontvangen moet worden.
17. Beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betekent dat haar inkomen gehalveerd wordt, hetgeen zeer ingrijpend voor haar zal zijn. De man heeft geen enkel inzicht verschaft in zijn financiële situatie. Mede in aanmerking genomen het feit dat de reden die de man had om de alimentatiebetalingen per 1 januari 2005 te staken, niet van financiële aard was, moet dan ook aangenomen worden dat hij in 2005 en ook nu nog steeds zonder enig probleem de alimentatie aan de vrouw kan blijven betalen.
18. Gezien deze feiten en de overige vaststaande feiten en omstandigheden moet geoordeeld worden dat de beëindiging van de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Om diezelfde reden is beëindiging van de door de man vanaf 1 januari 2005 te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw op termijn nog niet aan de orde. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verlenging van de door haar hieronder vastgestelde termijn dat de man nog alimentatie aan de vrouw moet betalen mogelijk zal zijn.
19. Rekeninghoudende met alle relevante feiten en omstandigheden komt het de rechtbank juist voor de termijn gedurende welke de man gehouden is een uitkering aan de vrouw tot haar levensonderhoud te betalen, te verlengen tot 1 januari 2012 onder de bepaling dat de man vanaf 1 januari 2009 een uitkering verschuldigd zal zijn van € 2.000,- per maand waarbij de wettelijke indexering uitgesloten wordt en onder de bepaling dat verlenging van de vastgestelde termijn mogelijk zal zijn. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw heeft laten weten alsnog de alimentatie waarop zij ingevolge de wettelijke indexering aanspraak heeft, bij de man te zullen gaan incasseren en dat zij met dat bedrag en de vanaf 2005 door de man nog te betalen alimentatie de mogelijkheid zal hebben de tweede étage van haar pand aan de [a-straat] weer verhuurbaar te maken, zodat zij daaruit evenals uit de verhuur van de derde étage inkomsten zal kunnen verwerven."